Niets op aarde zo eng als de mens

De meesten van ons hebben geen reden om te zeggen, zoals advocaat en schrijver Louis Begley doet: „Ik ben bang voor mensen.” Na zijn jeugd als joodse jongen in het door de nazi’s bezette Polen, waar hij met zijn moeder overleefde door zich voor te doen als katholieken, zegt Begley: „Van de oorlog leerde ik vooral over het wezen van de mens, de minachting, de haat, de laagheid, het bedrog, de wreedheid, het feit dat je niemand kunt vertrouwen en dat je voor niets op aarde zo bang moet zijn als voor mensen.”

Begley is een van de mensen die door Rob Riemen geïnterviewd worden in zijn interessante boek De universiteit van het leven, uitgebracht als een nummer van het tijdschrift Nexus. Begley is van al degenen die daar over hun kijk op het leven spreken, de meest pessimistische. Zijn uitspraak dat je „voor niets op aarde zo bang moet zijn als voor mensen” doet in de verte denken aan die beroemde regel uit de Ilias: „niets op aarde is zo rampzalig als een mens”, en de visie die erin besloten ligt is wel enigszins verwant. Maar er is ook wel een verschil. Bij Homerus is de mens slachtoffer van het lot, in de uitspraak van Begley is hij vooral een dader.

Wie zo’n uitspraak doet, lijkt zich min of meer buiten die ‘mensen’ te plaatsen, hij is nu juist iemand voor wie je niet bang hoeft te zijn. Ik geloof niet dat Begley dat bedoelt, hij bedoelt te zeggen dat je op moet passen niet met die angstaanjagende kant van de mensen te maken te krijgen. Een kant die er is, zoals we heel goed weten, maar die wij, de generaties die geen oorlog hebben meegemaakt, meestal minder hoeven te voelen. Natuurlijk gebeuren er buiten een oorlog om ook vreselijke dingen. Maar die brengen je meestal niet tot de conclusie dat ‘mensen’ gevaarlijk zijn, maar meer dat je er klootzakken bij hebt.

Ik schrik altijd van zo’n uitspraak als die van Begley. En dat vind ik dan vervolgens naïef van mezelf, want heb ik die foto’s uit Syrië soms niet gezien? Weet ik niet van de wreedheden die begaan zijn tijdens de oorlog in Joegoslavië? Heb ik niet eindeloos gelezen over de uitwerking die het stalinisme of het nationaal-socialisme op zo op het oog ‘gewone’ mensen had? Weet ik dan nóg niet dat juist die gewone mensen enz. dat Hannah Arendt immers heeft geconcludeerd dat enz.?

Ik lees op het ogenblik het meeslepende boek van de Romeinse historicus en militair Ammianus Marcellinus over keizer Julianus, dat vorig jaar door classicus Daan den Hengst vertaald werd. We zijn dan in de vierde eeuw na Christus en Ammianus schrijft over de machtsspelletjes aan en rond het hof en de regerende kringen, met alle bijbehorende laagheid, gemeenheid en wreedheid. Mensen worden gemarteld, verscheurd, onthoofd, vaak alleen maar op grond van roddelpraatjes.

De mens is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven.

Maar tegelijkertijd houdt deze Ammianus een andere moraal hoog. Hij heeft het over fatsoen, spreekt schande van het zonder vorm van proces ter dood brengen van een caesar die hij als uitgesproken slecht en wreed beschouwt, desalniettemin had men hem niet op achterbakse wijze in een hinderlaag moeten lokken. Ammianus, en een aantal van de mensen over wie hij schrijft, is een rechtschapen figuur.

En ook Louis Begley heeft ongetwijfeld in de oorlog goede mensen ontmoet, mensen die hem hielpen of beschermden tegen de enorme golf van haat en geweld.

Ik denk aan die schitterende passage uit Leven en lot, van Vasili Grossman. Dat de menselijke geschiedenis niet het verhaal is van het goede dat het kwaad probeert te overwinnen: „de geschiedenis van de mens is de strijd van een groot kwaad dat een korreltje menselijkheid probeert te vermalen”. En dat daar niet in slaagt.