Invloedrijk denker over de triviale moderniteit

Walter Benjamin In bittere armoede werkte hij aan zijn hoofdwerk

Walter Benjamin (1892-1940) werd tijdens zijn leven door velen niet voor vol aangezien. Postuum groeide hij echter uit tot een mandarijn van de Duitse cultuur waardoor er een ware academische industrie rond zijn werk ontstond, met elkaar tegensprekende en bevechtende lezingen.

Dat is deels Benjamins eigen schuld. Ooit omschreef hij zijn opvattingen als ‘een beweeglijk en tegenstrijdig geheel’. Hetzelfde kun je van zijn levensloop zeggen. De nieuwe biografie van Howard Eiland en Michael W. Jennings biedt geen schokkende onthullingen, maar streeft naar een coherente en gedetailleerde visie op Benjamins leven en werk.

Benjamin stamde uit een welvarend en grotendeels geassimileerd Joods gezin in Berlijn. Aan zijn schooltijd bewaarde hij geen prettige herinneringen; wel sloot hij er levenslange vriendschappen. In de Eerste Wereldoorlog leefde hij als een bohémien; hij ontdook de militaire dienst door zich in de nacht voor zijn keuring vol te gieten met zwarte koffie.

Zijn nogal apolitieke en elitaire vroege essays zijn vooral geïnspireerd door Nietzsche en de Joodse theologie en mystiek. Dat veranderde in 1924 toen hij de Letse bolsjewistische theatermaakster Asja Lacis ontmoette, op wie hij smoorverliefd werd. Gevolg van deze liefde, en van zijn lectuur van Georg Lukács’ Geschiedenis en klassenbewustzijn, was een bekering tot het marxisme en een belangstelling voor de vroege Sovjetkunst.

Maar Benjamin was hooguit een onorthodox marxist, of zoals hij het zelf omschreef, een ‘linkse buitenstaander’. Lid worden van de communistische partij, of overgaan tot politieke actie, wilde hij niet. Ook hield hij zijn leven lang een ambivalente houding tegenover het Jodendom en het toen opkomende zionisme: kort speelde hij met het plan Hebreeuws te leren en zich in Palestina te vestigen, maar hij verkoos een zwervend bestaan in Europa.

Even problematisch als ambivalent was Benjamins verhouding tot de academische wereld. In 1925 presenteerde hij aan de universiteit van Frankfurt een Habilitationsschrift over de oorsprong van het vroeg moderne Duitse treurspel. Deze studie werd echter verworpen als ‘duister’ en ‘warrig’ door zijn hoogleraar en diens assistenten. Daarmee waren Benjamins kansen op een academische carrière verkeken. Volgens Eiland en Jennings vormt deze afwijzing een eeuwige smet op het blazoen van de Frankfurter universiteit.

Walging

Ondanks dit falen oefende Benjamin een sterke invloed uit op de zogeheten kritische theorie van Theodor Adorno en Max Horkheimer en de Frankfurter Schule. Maar terwijl Adorno zich vol walging afkeerde van de Unterhaltungsmusik van schlagers, jazz en protestliederen, en zijn toevlucht zocht in de atonale muziek, stortte Benjamin zich juist enthousiast op de populaire cultuur. Volgens hem vatten verschijnselen als speelgoed, kinderboeken, pornografie, radio en film wezenlijke aspecten van de burgerlijke moderniteit.

Zijn interesse voor populaire kunst blijkt uit een van zijn beroemdste essays, het in 1936 voltooide Het kunstwerk in het tijdperk van mechanische reproduceerbaarheid. Daarin betoogt hij dat nieuwe technologische media, zoals fotografie, film en grammofoonplaat, het kunstwerk oneindig en identiek reproduceerbaar maken, en daarmee beroven van zijn ‘aura’, ofwel zijn unieke en onherhaalbare karakter.

Ook in zijn eigen werk bedient Benjamin zich van modernistische montagetechnieken. Hij is geen systematische of rigoureus argumenterende denker; veeleer is hij een literator die zijn ideeën vangt in de vorm van zogeheten Denkbilder of ‘denkbeelden’, die abstracte filosofische gedachten proberen te vangen in concrete zintuiglijke waarnemingen of herinneringen. Niet voor niets is Proust een van zijn lievelingsauteurs. Hoewel hij goed op de hoogte was van de experimentele literatuur van de vroege Sovjet-Unie en van de modernisten en surrealisten in Parijs, is hij toch vooral verbonden met de Duitse literaire avant garde uit het interbellum.

In 1933 kwamen de nazi’s aan de macht. Benjamin ontvluchtte Duitsland en leefde verder in Parijse en Deense ballingschap. In bittere armoede werkte hij aan wat zijn hoofdwerk moest worden, het Passagenprojekt, een immense, onvoltooid gebleven cultuurhistorische studie van 19de-eeuws Parijs als de belichaming van de Europese moderniteit. Zelf omschreef hij het als ‘het theater van al mijn worstelingen en ideeën.’ Toen de Duitsers in 1940 Frankrijk binnenvielen, vluchtte hij andermaal, maar strandde op de Frans-Spaanse grens. In wanhoop pleegde hij zelfmoord door een overdosis morfine te nemen.

Orthodox lid

Na zijn dood bleef Benjamin lange tijd onopgemerkt, maar halverwege de jaren vijftig slaagden vrienden en bewonderaars erin de belangstelling voor zijn werk nieuw leven in te blazen. Pas in de late jaren zestig, te midden van Duitse studentenrevoltes en onorthodoxe vormen van marxistisch denken, kreeg Benjamin de volle aandacht. Prompt ontstond een felle polemiek rond de uitgave van zijn werk. Critici beschuldigden Adorno ervan Benjamin postuum tot een orthodox lid van de Frankfurter Schule te willen omvormen.

Benjamin was zwerver, balling en flaneur. Zijn geregelde depressieve buien genas hij met lange reizen naar onder meer Parijs, Capri, Ibiza en Moskou. Ook in zijn essays flaneert hij langs de, schijnbaar triviale en banale, alledaagse aspecten van de moderniteit. Daarmee is zijn werk van een moeilijk te overschatten belang voor latere vormen van cultuurkritiek. Het marxisme van zijn latere essays doet misschien wat gedateerd aan, maar het belang van zijn verkenning van de technologische en economische basis van de hedendaagse cultuur is enorm geweest.