Hoe lang blijven de burgers boos op Brussel? Lang, maar vergeefs

Hoe lang kan een land boos zijn? Heel lang. Al heel lang is Nederland boos op Europa. Boos over het niet functionerende Europa, boos over het dure Europa, boos over het al maar uitbreidende Europa, boos over het bureaucratische Europa, boos over het betuttelende Europa. Boos over alles dus. Een dergelijk chagrijnig humeur kan over vier maanden bij de verkiezingen voor het Europees Parlement haast niet anders dan uitmonden in een eveneens ‘boze’ verkiezingsuitslag. Dat is in elk geval de meest gehoorde voorspelling. Zowel de uitgesproken anti-Europese PVV als de iets minder rabiaat anti, maar nog altijd zeer kritisch tegenover Europa staande SP lijken op een flinke winst te kunnen rekenen. Het met 26 van de in totaal 751 zetels in het Europees Parlement toch al bescheiden Nederlandse geluid kan zodoende na de verkiezingen op 22 mei ook nog eens een overwegend negatief geluid zijn. En weer zal dan, net als negen jaar geleden toen Nederland in het befaamde grondwetreferendum ‘nee’ zei tegen verdere Europese integratie, overal de vraag worden gesteld hoe het toch zover heeft kunnen komen.

Met flink wat boeken wordt op deze discussie vooruit gelopen. De titels zijn veelzeggend. Verloren Consensus, Nederland als Europese lidstaat: eindelijk normaal? en Europa in alle staten. Steeds staat het historisch perspectief centraal. ‘Geen inzicht in het heden, zonder kennis van het verleden’, aldus Wim van Meurs in Europa in alle Staten. Het is vooral een politicologische verkenning naar het integratieproces in Europa. Het is een studieboek waarin nog eens duidelijk wordt dat de enige constante in de opbouw van Europa het ad hoc karakter is. De Europese Unie, een superstaat of de EUSR, zoals de tegenstanders beweren? Niet volgens dit boek. De EU blijkt een ‘hybride constructie’ te zijn: half een vorm van internationale politiek tussen soevereine staten en half een nieuwe democratische entiteit van burgers.

De geschiedenis is daarom zo belangrijk omdat dit het debat over de huidige plek van Nederland in Europa enigszins kan relativeren. Het wordt vaak gezegd: Nederland, in de jaren vijftig van de vorige eeuw één van de founding fathers van het verenigd Europa, heeft zich ontpopt tot één van de meest kritische lidstaten van de Europese Unie. Bijeenkomsten van Europese regeringsleiders zijn voor Nederland kooigevechten waar premier Rutte ‘met een geladen pistool naar toe gaat.’ Rode lijnen domineren de Nederlandse inzet, omdat ministers onder druk van de anti-Europese sentimenten op de politieke flanken de onvermijdelijke keuze voor een verder integrerend Europa niet durven te maken.

Het valt allemaal wel mee, is de conclusie in de bundel Nederland als lidstaat: eindelijk normaal. ‘Dat er meer kritiek is en meer discussies zijn, hoort bij het volwassen worden van de EU als politieke en bestuurlijke laag binnen het bouwwerk van lidstaten en Europese instellingen’, schrijven de aan instituut Clingendael verbonden samenstellers Adriaan Schout en Jan Rood. De Europese Unie is politiek veel relevanter geworden en dan vindt onvermijdelijk politisering plaats. Wat volgens hen vroeger gebeurde ‘in de luwte van de technocratische communautaire benadering’ gebeurt nu in de politieke arena. Europese beleidsvraagstukken zijn onderdeel geworden van nationale keuzes en worden zodoende even hard bediscussieerd. Kortom: niets aan de hand, volkomen normaal. In zeventien hoofdstukken wordt de Nederlandse pragmatische benadering van Europa voor diverse beleidsterreinen beschreven. Beter gezegd: zou moeten worden beschreven. Want de centrale stelling dat Nederland altijd zichzelf is gebleven, is elders maar moeilijk terug te vinden. Sterker nog, die wordt soms tegengesproken, zoals in het stuk over migratie waarin Kees Groenendijk het heeft over de ‘rigoureuze breuk van Nederland’ met het voor 2002 gevoerde beleid.

Interessant met het oog op de komende, ongetwijfeld felle campagne voor de Europese verkiezingen is het door de Tilburgse hoogleraar Paul Dekker geschreven hoofdstuk over de publieke opinie. Samengevat: beleidsmakers hebben weinig houvast aan de publieke opinie als het Europa betreft. Dat bleek pijnlijk in 2005 toen de ‘Eurobarometer’ in Nederland een brede steun voor het EU-lidmaatschap signaleerde, maar een paar maanden later een overtuigende meerderheid in het referendum Europa een halt toeriep. ‘Nederlanders staan verstandelijk wel positief tegenover de Europese integratie, maar ze zijn er allesbehalve enthousiast over’, stelt Dekkers. Omdat de opvattingen weinig ‘doorleefd en doordacht’ zijn, blijken Nederlanders ‘bij gebrek aan betrokkenheid en kennis gevoelig voor tegenargumenten en negatieve emoties.’

Dit is exact de angst bij de gevestigde middenpartijen in Nederland voor de komende maanden. Houdt hun rationele, genuanceerde verhaal dat per definitie enige uitleg vergt stand tegen het makkelijke ‘nee’ of ‘nu-niet-verder’ van de eurosceptici? Gematigde politici zoeken de oplossing in het veranderen van de vraagstelling. Het gaat niet om vóór of tegen Europa, maar om welk Europa. Maar dit kan niet voorkomen zoals Dekker laat zien dat de tegenstelling tussen verstandelijke instemming en gevoelsmatige weerzin scherper dreigt worden. Hij raadt politici dan ook aan minder met een ‘dubbele tong’ over Europa te spreken en zich minder te laten verleiden tot ‘stoerdoenerij voor de nationale bühne en tegelijkertijd meegaandheid in Brussel.’

Volgens de samenstellers van Verloren Consensus is de toegenomen euroscepsis deels te verklaren door de ‘zekere mate van verzadiging’ over wat er in Europa is bereikt. Doel van deze door de universitaire politieke onderzoekscentra in Groningen en Nijmegen opgezette studie was na te gaan hoe het Europa-debat zich binnen de Nederlandse politieke partijen heeft voltrokken. Het boek geeft een nauwgezet beeld over ruim 65 jaar binnenlands Europa-debat, maar blijft te veel aan de oppervlakte hangen. Want interessanter dan de vaak minutieus behandelde vraag hoe partijen handelden blijft de vraag waarom zij zo handelden. En die vraag wordt helaas te weinig beantwoord.

Ondertussen, zo is de ondertoon in alle boeken, gaat ondanks alle reserves de Europese integratie gewoon door. Zoals in Verloren Consensus geconcludeerd wordt: ‘De gegroeide kloof tussen retoriek en werkelijkheid is misschien wel de allermarkantste ontwikkeling in het huidige Europa-debat.’ Terwijl de Nederlandse regering voor de eigen nationale bühne goede sier probeert te maken met het ‘terughalen’ van bevoegdheden – het leidde tot een miniem lijstje met marginale onderwerpen – gaat de grote integratie gewoon door. Er komt een Europese bankenunie en het economisch beleid van de lidstaten wordt nog meer op elkaar afgestemd.

Het bewijs wordt dagelijks geleverd in Brussel waar de belanghebbenden, variërend van bedrijven, regio's tot actiegroepen hun weg al lang hebben gevonden. Niet voor niets verscheen vorig jaar ‘More Machiavelli in Brussels’, het totaal herziene standaardwerk over lobbyen in Europa van hoogleraar Rinus van Schendelen. Daar, in Brussel wordt namelijk het echte werk gedaan. De ruis – ja dan wel nee tegen Europa – is voor binnenlands politiek gebruik.