Het absurde als enig overlevingsmiddel

Goede literatuur gaat over de tragiek van het leven. Goede Oost-Europese schrijvers weten die vaak humorvol weer te geven, waardoor zelfs het somberste uur draaglijk wordt. De Pool Tomek Tryzna (1948) is zo’n schrijver. In 1994 debuteerde hij met Meisje Niemand, een roman over een 15-jarig meisje dat van het platteland naar de grote stad verhuist en daar haar onschuld verliest. Haar belevenissen worden met veel humor verteld, maar tegelijkertijd proef je op iedere bladzijde de wrange werkelijkheid van het grauwe communistische Polen van de jaren vijftig. Meisje Niemand werd dan ook door velen gezien als een allegorie op de geschiedenis van het naoorlogse Polen. Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz prees het uitvoerig, Andrzej Wajda verfilmde het. Tryzna was op slag wereldberoemd.

In Bleke Niko, Tryzna’s vierde roman, opnieuw mooi vertaald door Karol Lesman, doet hij min of meer hetzelfde als in Meisje niemand en in Ga, heb lief, zijn vorige boek: hij schetst de belevingswereld van een opgroeiende jongen in het Polen van de jaren zestig en trekt je opnieuw uit het moeras met een vermakelijk en ontroerend verhaal. Je beseft dat al op de eerste bladzijde, als de verteller, de lyceïst en ambitieuze amateurfilmer Bleke Niko, zijn geloofsbelijdenis doet. Hij zet zich af tegen de wetten en holle woorden van de dictatuur, tegen de censuur, tegen de nepwereld om hem heen. Voor hem telt alleen de kunst: ‘En voor een werk door mensenhand voltooid – door aanraking van inspiratie – voelen hoe ontroering om het bestaan de ziel ontdooit.’ Het is vrij ‘naar Poesjkin, in de vertalingen van Nabokov en Tuwim’.

Bleke Niko’s ouders hebben een illegaal naaiatelier, zijn vader drinkt, zelf zit hij in de laatste klassen van een prestigieus lyceum. Hij is er het lievelingetje van de cryptohomoseksuele leraar Russisch, meester Tycjan, een tiran en symbool van de knechting van Polen door de Sovjet-Unie. Eens per jaar laat meester Tycjan zich traditioneel door zijn leerlingen afrossen als ‘tegentuchtiging’.

Bleke Niko wil films maken, in een land waar moderne apparatuur ontbreekt en filmrolletjes schaars zijn. Toch hoeft er maar iets op straat te gebeuren of zijn camera draait. Het levert absurdistische korte films op, zoals in de Poolse cinema vaker het geval is.

Het absurde en surrealistische als overlevingsmiddel, dat is dan ook Tryzna’s boodschap. En daarin lijkt hij op die andere grote uit de Oost-Europese letteren: de Tsjech Bohumil Hrabal. Tryzna heeft hetzelfde palaverende taalgebruik, hetzelfde gevoel voor het tragisch absurdisme. Hij weet je om de meest droevige gebeurtenissen aan het lachen te krijgen.

Knoeier

Bleke Niko introduceert zichzelf als volgt: ‘Wat mezelf aangaat, ik ben een aan originaliteit lijdende knoeier. Ik had een hekel aan mezelf toen ik ophield kind te zijn en besloot met mezelf de strijd aan te gaan, in weerwil van mezelf te handelen. Op die manier heb ik afgerekend met de wortels van mijn oude persoonlijkheid, terwijl de nieuwe zich nog niet heeft aangediend en ik momenteel in de reet van het niets verkeer en pas bezig ben toe te groeien naar mijn eigen grootsheid die mij misschien wel nooit zal geworden.’

Hij verkeert in limbo; niets in zijn leven is op dat moment duidelijk. Hij zit nog op school, maar wil eigenlijk alleen zijn films insturen naar internationale filmfestivals, al is het Westen voor hem gesloten. Maar uit datzelfde Westen komt op een dag de hoop aanwaaien als ene dokter Wunde uit Hamburg naar het plaatselijke Cultuurhuis belt om iemand van de filmclub te spreken. Die dokter heeft op een Pools 8mm-festival Bleke Niko’s film De Baret , gezien en wil hem als dank een professionele Arriflex 16mm-camera en een Nagra-bandrecorder schenken.

Je begrijpt dat hoogmoed nu vat op Tryzna’s antiheld krijgt. Hij voelt zich de aankomende ster in de Poolse filmwereld. Die camera, die dokter Wunde een week later zal bezorgen, is er het bewijs van.

Bleke Niko, een onderdeurtje met blond peenhaar dat zijn postuur met gewichtheffen probeert te verbeteren, verandert nu in een Casanova. Als regisseur versiert hij het ene meisje na het andere, ook omdat hij ze een rol in zijn films geeft. Als hij na een schoolfeest met de mooie Andzia staat te zoenen en zijn hand onder haar jurk schuift, lees je: ‘Nog voor het gladde gedeelte eindigde raakten mijn vingers de jarretel van elastiek van de rand van een nylonkous. En in plaats van een haakje zat er iets ronds en hards onder de stof. „Een muntje van twintig groszen", fluisterde ze gegeneerd. En ze drukte me zo ongeveer voor altijd tegen me aan.’ En ook mij werd het op de een of andere manier vanuit de grote verte duidelijk dat Andzia weleens een belangrijke rol in mijn leven zou kunnen spelen. Maar op dit historische moment had ik geen tijd voor de liefde, en al helemaal niet voor de liefde voor een maagd.’ Met die paar zinnen schetst Tryzna een jongen die zowel op de grens van een serieus kunstenaarsbestaan als op die van de volwassenheid staat.

Sluimerend onheil

Op de achtergrond sluimert voortdurend het onheil, vooral als Bleke Niko het ware verhaal vertelt van de vertoning van De Baret op dat filmfestival. Dan blijkt die door dokter Wunde bewonderde film ineens een misbaksel te zijn, dat tijdens de vertoning door de jury en het aanwezige publiek op hoon werd getrakteerd. Alles draait er nu om of de geheimzinnige dokter, van wiens komst ook de geheime dienst op de hoogte blijkt te zijn, nu wel komt of niet. Maar alvorens dat raadsel op te lossen, dient Tryzna je eerst nog wat andere avonturen van zijn hoofdpersoon op. De ontroerendste zijn de bezoeken van Bleke Niko aan zijn dertig jaar oudere, ongelukkige lerares Frans. Zij voert hem dronken en vertelt hem dat haar mooie dochter uit Parijs kennis met hem wil maken, maar dan moet hij wel een blinddoek omdoen.

Tryzna excelleert nu met een fantastisch spel van de verbeelding. Als die dochter (lees: de lerares) Blinde Niko omhelst en heftig begint te zoenen, schrijft hij: ‘Ze streelde me in het bos, op een open plek, in een paleis, totdat alle kanonnen van de wereld afgingen en ik flauwviel, of misschien viel ik alleen maar doodvermoeid in slaap.’ Er zijn mindere aangename manieren om je maagdelijkheid te verliezen.