Er zit niets anders op: Europa moet doormodderen

tekening Petar Pismestrovic

De problemen in de eurozone gaan over geld en economie, maar meer nog over politiek en geschiedenis. Enkele weken nadat op 9 november 1989 de Berlijnse muur viel, presenteerde kanselier Kohl (1982-1998) zijn plan voor een Duitse eenwording. Een verontruste president Mitterrand (1981-1995) kondigde aan: ‘We gaan terug naar 1913’.

Toen bleek dat hij de geschiedenis niet kon terughalen omdat Gorbatsjov weigerde mee te werken aan de reprise van een tegen Duitsland gerichte Frans-Brits-Russische alliantie, herontdekte Mitterrand de Europese samenwerking. De monetaire integratie moest de Duitse eenheidsstaat van zijn machtige D-Mark afhelpen en Frankrijk de mogelijkheid geven greep op Duitsland te houden.

Ruim tien jaar na de invoering van de euro is duidelijk dat deze politieke strategie is mislukt. De Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt waakt met haar rentepolitiek even streng over de prijsstabiliteit in Europa als de Bundesbank in Duitsland deed. Bovendien is de begrotingspolitiek van de eurolanden onderworpen aan een Duitse spaarzaamheid die, in combinatie met hervormingseisen, volgens de wensen van de regeringsleiders wordt afgedwongen door de Europese Commissie. Merkel is machtiger dan Kohl ooit was.

Is hier nog iets aan te doen?

Ook Jean-Pierre Chevènement, voormalig minister onder Mitterrand en grootproducent van boeken over actuele politiek, gaat in L’Europe sortie de l’histoire? terug naar de periode van voor de Eerste Wereldoorlog. Als je wilt weten wat er in 2014 mis is met Europa, schrijft hij, moet je zorgvuldig kijken naar wat er in 1914 is gebeurd. Tal van historici hebben volgens hem de mythe in de wereld gebracht dat het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de collectieve diskwalificatie markeert van de Europese natiestaten, die zich toen in een orgie van geweld stortten. In 1914 begon, zo heet het, de Dertigjarige Oorlog die pas in 1945 eindigde. Daarna luidde de Europese integratie het nieuwe tijdperk in van de postnationale samenwerking.

Volgens Chevènement berust de these van de Dertigjarige Oorlog op een misleidende diabolisering van de natie. In een gedreven betoog houdt hij staande dat Duitsland in 1914 niet een exclusieve, maar wel een primaire verantwoordelijkheid droeg voor het uitbreken van de oorlog. Legerleiding, keizer en regering lieten zich meeslepen door een pan-germanistische ideologie. Wat deed Frankrijk anders dan een defensieve oorlog voeren? Chevènement trekt de conclusie dat niet de nationale soevereiniteit (die in het Franse geval niets anders deed dan zichzelf verdedigen), maar een Duitse vorm van agressief nationalisme de oorzaak was van de Eerste Wereldoorlog.

De Europese geschiedenis, aldus deze auteur, is met de integratie van na 1945 niet totaal anders geworden. De natiestaat heeft nog alle recht van bestaan, in 2014 zelfs meer dan ooit. De Frans-Duitse verhouding is toe aan een herziening die de soevereine natie verloren terrein teruggeeft. Brussel, het lelijke gezicht van Europa, stuit op steeds meer weerstand. Het vaardigt maatregelen uit die door hun eenvormigheid vooral in zuidelijke landen voor langdurige stagnatie en hoge werkloosheid (in Frankrijk 12 procent, in Spanje en Griekenland 27 procent) zorgen.

Chevènement ziet nog slechts de uitweg van een terugkeer naar de nationale munten die de lidstaten de mogelijkheid geven om hun kwakkelende economieën weer aan de gang te krijgen. Zo kunnen maatregelen (devaluatie) worden genomen die in de naoorlogse geschiedenis van Frankrijk over de lange termijn goed hebben gewerkt.

François Heisbourg, die in eigen land en daarbuiten een grote reputatie heeft als strategische denker, erkent in La fin du rêve européen (zie het interview met Caroline de Gruyter, NRC, 16.11.2013) dat de kern van de Europese problemen in de veranderde Frans-Duitse verhouding ligt. Het Franse kernwapen dat in de Koude Oorlog als instrument van politieke invloed het economische overwicht van Duitsland compenseerde, heeft nog nauwelijks betekenis. Bovendien functioneert de Franse economie veel minder goed dan de Duitse.

Het gevolg is dat kanselier Merkel in de Europese Raad van regeringsleiders haar wensen kan doordrukken. Heisbourg, op dit moment directeur van het Londense International Institute for Strategic Studies, erkent dat Frankrijk ook in zijn eigen belang structurele hervormingen moet doorvoeren die de economische concurrentiekracht bevorderen. Maar die maatregel is volgens hem lang niet genoeg om de malaise te doorbreken die met de groeiende aanhang van Marine le Pen ook politieke gevolgen dreigt te krijgen.

Hij steunt het voorstel van Chevènement om de euro op ordelijke wijze op te heffen en terug te keren naar de nationale munt die Frankrijk de mogelijkheid biedt van een economische inhaalmanoeuvre. Dit is een opmerkelijk zwenking voor een man die, anders dan de euroscepticus Chevènement, de monetaire integratie altijd heeft gesteund. Dat de doorgaans scherpzinnige Heisbourg geen andere uitweg meer ziet en evenals Chevénement nauwelijks ingaat op de gerede kans dat een terugkeer naar de nationale munteenheden Duitsland nog machtiger zal maken dan het nu al is, wijst op politieke paniek.

Voor oud-kanselier Helmut Schmidt (1974-1982) is het uiteenvallen van de euro een onaanvaardbaar perspectief. In Mein Europa, een bundeling artikelen en toespraken die wordt afgerond met een gesprek tussen de auteur en oud-minister van Buitenlandse zaken Joschka Fischer (1998-2005), voorspelt hij dat in Zuid-Europa een reeks van devaluaties voor wanorde zal zorgen. Voor Duitsland zijn volgens hem vooral de politiek-strategische gevolgen nadelig. De fragmentatie van Europa zal het leiderschap van deze grote en centraal gelegen natie nog meer zichtbaar maken en kan een anti-Duitse blokvorming op gang brengen die het land naar een isolement voert. Schmidt onderkent dat de balans in de Frans-Duitse verhouding is verstoord. Toch is er nog steeds geen alternatief voor een partnerschap tussen Berlijn en Parijs dat in het Europa van de euro de koers uitzet. Merkel heeft volgens hem een grote fout gemaakt door in de crisis die in 2008 begon niet royaler te zijn. Duitsland had meer moeten toegeven aan Franse wensen over het ‘poolen’ van schulden en een Europees plan tegen de jeugdwerkloosheid. Die toegevendheid had het politieke verwijt van een eenzijdig Duits begrotingsdictaat kunnen pareren.

Mein Europa staat vol met politieke behartenswaardigheden, maar het is ook het boek van een man (inmiddels 95 jaar oud) uit een ander tijdperk. Tijdens het bondskanselierschap van Schmidt was de Europese integratie nog een elitekwestie. De bevolking in de onderscheiden landen vond het allemaal wel best. Maar sinds de invoering van de euro en de financiële crisis beïnvloedt ‘Europa’ het dagelijkse bestaan van burgers. Europese politiek is een electoraal strijdpunt geworden. Merkel kon de afgelopen jaren niet royaler zijn omdat ze nog verkiezingen moest winnen.

Nu dat is gebeurd en haar partij een coalitie heeft gesloten met de SPD van Schmidt, zijn er kansen op een ruimhartigheid die de Frans-Duitse motor weer op gang brengt. Er zijn recentelijk meer lichtpunten. Sinds ECB-president Draghi in juli 2012 aankondigde alles te zullen doen om de euro te redden, is de crisis op de financiële markten weggeëbd. De economische recessie lijkt voorbij, Ierland en Spanje komen langzaam uit hun schulden- en bankproblemen, de Europese bankenunie krijgt contouren. Al versterkt dat laatste succes dan weer het verzet tegen de groeiende macht van Brusselse (en Frankfurtse) instituties. In dit Europese rijk der tegenstrijdigheden is doormodderen onder de schipperende leiding van Duitsland en Frankrijk het beste devies. De bedachtzame aanbevelingen van Schmidt passen beter bij die koers dan de radicale recepten van Chevènement en Heisbourg.