Een heel dure verslaving

James Holden (34) was dit weekend in het land. Zijn laatste album The Inheritors, waarop Keltische druïdes drijvende drums in een trancebuitje ontmoeten, deed het goed bij de critici. Draaien was gelukkig ook nog steeds leuk, legde hij onderweg van Nijmegen naar Amsterdam uit. De perfecte mix – langzaam en gelaagd toevoegen, niet bruusk schuiven met de mixer – was net zo’n uitdaging als culinair koken. Draaien was bovendien broodnodig. Dat album betaalde de huur niet. Het runnen van zijn eigen label Border Community trouwens ook niet. James had namelijk een hele dure verslaving. Waar andere vrienden coke gebruikten, hadden hij, Luke Abott en Nathan Fake een heel ander probleem. Een veel groter probleem. Een probleem dat de hele garage vulde: een modulaire synth. Iedere bouwsteen van het zelf gebouwde muziekinstrument kostte hem meer dan de fee voor een optreden of drie. „Ik kan het niet laten. Iedere keer denk ik: maar deze heb ik echt nodig!”

Wees dus gewaarschuwd als u ook zo’n knutselzoon in de garage hebt. Een modulaire synth, het kan het beginpunt van een levenslange verslaving zijn.

Niet iedereen heeft een bloeiende dj-carrière om zijn moduleverslaving te bekostigen. De naam van Charles Cohen reikte nooit verder dan de periferie van Philadelphia, waar hij muziek maakte voor dans en theater. Zijn beurs was nooit groot genoeg voor meer dan een oscillator – ja, je weet wel, zo’n retrofuturistisch apparaat met draaiknoppen dat thuishoort in de handen van Mr. Spock of de leraar natuurkunde. In een koffertje van het type waarin je grootmoeder haar naaimachine bewaart, werkt hij met slechts één bijzondere machine, de Buchla Music Easel. Zelf bewerkt en geprogrammeerd sinds 1976; net zo lang geoefend tot hij de perfecte tonen vond. Want dat is het voordeel van jarenlang solderen, opwarmen en oefenen met je eigen hardware: het geeft een warm geluid. Een natuurlijk geluid. Een bijna menselijk geluid.

Klinkt obscuur. En een beetje moeilijk. Misschien. Niet voor niets treedt de zestiger dit weekend op in Muziekgebouw aan ’t IJ, niet in een club. Maar als zelfs dj en labelbaas Morphosis het de moeite waard vindt om je twintig jaar oude tapes alsnog uit te brengen, weet je dat het ook iets bijzonders is. Op zijn album The Middle Distance hoor je het voordeel van muziek maken op een enkel apparaat in plaats van met de software-grabbelton die Ableton heet. Cohen maakt pure muziek, niet gehinderd door een spoortje te veel dat er achteraf is bijgezet.

Een oneindig scala aan tonen, uit een piepklein koffertje.