Durf te falen

Hij is gevraagd om een nieuwe televisie te presenteren. Tijdens de Amerikaanse Consumer Electronics Show zal filmregisseur Michael Bay de Samsung Curve aanprijzen – een tv met gebogen beeldscherm ‘voor een echte bioscoopervaring’. Begeleid door bombastische muziek komt Bay het podium op. „Als regisseur verdien ik geld door te dromen,” begint hij enthousiast. „Ik creëer nieuwe werelden voor mensen. Hollywood is een plek om even de werkelijkheid te kunnen ontvluchten. En wat ik probeer te doen, is...” Dan hapert hij. Kijkt hulpzoekend rond. „Sorry, de autocue doet het niet”, stamelt hij. „Michael, de Curve! Vertel ons over de Curve!”, probeert de Samsung-man naast hem nog. Maar Bay is met gebogen hoofd het podium al afgegaan.

Het filmpje van Bays falen ging begin deze maand op internet rond. Onder meer de websites van Time, Forbes en NRC besteedden er aandacht aan. In een reactie noemde iemand Bay ‘een onoriginele robot’ – een verwijzing naar diens Transformers-films. Maar de regisseur kon ook rekenen op sympathie. Op herkenning. Bay is tenslotte niet de enige die weleens een black out heeft gekregen. Heel wat mensen lijden aan lalofobie. Aan de angst te moeten spreken in het openbaar.

Halfbeurse mandarijntjes

Waar zijn we allemaal zo bang voor? We praten de hele dag door – in onszelf, tegen onze hond, met onze vrienden. Dat gaat allemaal prima. Pas als we een vooraf ingestudeerd praatje moeten houden, klappen we opeens dicht. Krijgen we plankenkoorts. Dan zijn we bang om onze tekst te verliezen. Alhoewel: die wisten we zojuist nog op de wc tien keer achter elkaar moeiteloos te reproduceren. We zijn vooral bang om iets anders te verliezen: ons imago.

„Verlegen mensen zijn eigenlijk heel egocentrisch”, zei een bevriende psycholoog laatst. „Ze zijn steeds bezig met de indruk die ze maken, met hoe ze op anderen overkomen.” En in diezelfde modus schieten we bij plankenkoorts: wat als ze me uitjouwen? Weghonen? Bekogelen met halfbeurse mandarijntjes die ze toevallig in hun handtas hebben? Wat als ze mij stom vinden?

Juist door onze eigen strenge eisen (‘Ik mag geen fouten maken’) klappen we dicht. En daarom is de kunst juist om die rigide regels los te laten. Om te improviseren.

Improv comedy is your best friend’, schreef de Forbes-website als tip aan Bay. Inderdaad. Geen betere manier om je spreekangst te overwinnen dan door improvisatietheater.

Een ter plekke bedachte rolverdeling, een decor dat bestaat bij gratie van de fantasie, dialogen zonder script: impro is veel losser dan ‘echt’ theater, waarvoor acteurs maanden repeteren, waarbij elke gezichtsuitdrukking uitvoerig wordt geregisseerd en elke scène vaststaat. En toch ontstaat er uit improvisatie mooi, grappig, soms ontroerend toneel. Misschien juist omdát het zo spontaan is. Populaire tv-programma's als De Lama’s en De Vloer Op draaien allemaal om impro. De spelers weten niet wat ze gaan acteren – ze vragen alleen een suggestie aan het publiek. Een locatie waar je seks zou willen hebben, bijvoorbeeld, of het meest gênante verjaardagscadeau dat je ooit hebt gekregen.

Uiteraard gaat er weleens wat fout, juist doordat alles ter plekke verzonnen is. Dan ben je midden in een scène de naam van je tegenspeler kwijt, of weet je tijdens een geïmproviseerde smartlap niet wat er op ‘wortel’ rijmt.

Maar fouten maken mag. Het is zelfs een van de gouden regels bij improviseren: durf te falen. Juist door zo’n fout ontstaat vanzelf een plotwending (‘Sjaak? Nu noem je me Sjaak in plaats van Jaap? Ik wist het wel... Jij gaat vreemd met slager Sjaak’) of een nieuwe ingeving.

Andere impro-geboden: ‘je impulsen volgen’, ‘accepteren’ en ‘lol hebben in wat je doet’. Op de website thewayofimprovisation.com schrijft acteur Dave Morris dat improviseren gelijkstaat aan accepteren. Een ander accepteren zonder hem te willen veranderen. De situatie accepteren zonder te wensen dat het anders was. En jezelf accepteren – ook als niet alles vlekkeloos verloopt.

Minder perfect leven

Improvisatie is meer dan een stroming binnen toneel of muziek. Het is een manier om in het leven te staan. We improviseren in de keuken (‘Hoe maak ik een volwaardige maaltijd met de restjes spaghetti en andijviestamppot uit de koelkast?’) en in bed (‘Schat, laten we een nieuw standje uitproberen’). En in feite improviseren we ook als we met elkaar praten – in een gesprek plannen we nooit zin voor zin wat we willen zeggen. Maar tegelijkertijd vinden we al te veel spontaan gedoe doodeng. Het liefst volgen we niet onze eigen impulsen, maar de mening van de massa.

Wat als we ook in de rest van ons leven wat meer durven te improviseren? Wat als we voor een presentatie alleen de grote lijnen op papier zetten, een paar powerpoint-slides maken hooguit, en dan onze precieze tekst ter plekke verzinnen? Wat onze agenda’s niet van dag tot dag volplannen, op reis geen all inclusive boeken maar ruimte openhouden voor avontuur?

Wat als we een minder perfect leven durven te leiden? Waarschijnlijk wordt het er een stuk leuker op. Niet voor niets lijkt improviseren verdacht veel op het Engelse woord voor verbeteren: improve.