Bychkov en Capuçon met diep desolate Sjostakovitsj

Twee gezichten toont gastdirigent Semyon Bychkov deze week voor het Concertgebouworkest. De in het toenmalige Leningrad opgeleide Amerikaan, in 1974 om politieke redenen vertrokken uit de Sovjet-Unie, voelt zich nog altijd bij uitstek verbonden met het Russische repertoire. Zeker met het werk van Sjostakovitsj, van wie het Eerste celloconcert (1959) het programma opende.

Alles in het dubbelzinnige stuk – een panorama van het Russische leven met een soms wringende, soms spottende ondertoon – klonk kamermuzikaal, intens en intiem. Het orkest was in perfecte balans met de Franse solist Gautier Capuçon, een van de belangrijkste cellisten van deze tijd. Zijn variëteit in expressie imponeerde; van donkere tonen tot helle samenklanken, met een bovenaardse magie in de passage met celesta. Een hoogtepunt was de lange cadens, een mijmering vanuit eenzame, desolate diepten.

Een ander gezicht toonde Bychkov in de Negende symfonie van Schubert, best bekend als de Grosse C-Dur-symfonie met de volgens Schumann ‘himmlische Länge’. Bychkov zette alles stevig naar zijn hand en pompte het anders zo heerlijk melodieus vloeiende stuk met de speelse houtblazers op met pompeuze, erg luide en weinig transparant klinkende accenten van het complete orkest. Te dramatisch, te groots, vooral te weinig liefdevol.