Column

Bestaat er zoiets als optimale ongelijkheid?

Ook gij, Obama. De Amerikaanse president maakt ongelijkheid dinsdag tot het centrale thema van de State of the Union, de jaarlijkse speech voor het Congres. Obama had er vaker op gepreludeerd: al in december zei hij dat, waar de gemiddelde topman van een onderneming nog maar enkele decennia geleden tot 30 maal het inkomen had van zijn werknemers, dit gegroeid is tot 273 maal.

Onderschat de invloed van de ongelijkheidskwestie op de VS niet. Die samenleving heeft zich altijd beroepen op zijn grote sociale mobiliteit, waardoor iedereen de droom kon koesteren zelf ooit welgesteld te worden. Dat was ook de houding tegenover de rijken: good for you. Als ik maar hard genoeg mijn best doe, bereik ik dat misschien ook.

Maar wat als de kloof zo groot wordt, zij zo onoverbrugbaar is dat de hoop omslaat in moedeloosheid? Dat leidt weer tot de vraag of er zoiets als een ‘optimaal punt van ongelijkheid’ is? Ongelijk genoeg om prikkels te geven en mensen het beste uit zichzelf te laten halen. En gelijk genoeg om het gevoel van sociale rechtvaardigheid te borgen en de hoop levend te houden zelf óók de ladder te kunnen bestijgen. Vanuit het oogpunt van maatschappelijke rust is dat laatste niet onbelangrijk.

Bovendien zijn er meer vormen van financiële ongelijkheid. Vaak ligt de nadruk op inkomen, maar vermogensongelijkheid is niet minder belangrijk. En die is in de regel veel groter. Nederland bijvoorbeeld heeft een gini-coëfficiënt van rond de 0,28 (afhankelijk van de bron) voor inkomensongelijkheid. Dat is op een schaal van 0 (geheel gelijk) tot 1 (geheel ongelijk). Met de score past ons land in de Noord-Europese traditie van lage ongelijkheid. Maar voor de vermogensverdeling geldt een gini-coëfficiënt van 0,60. Die laat zien dat de vermogensverdeling veel schever is dan de inkomensverdeling.

Een mogelijk toekomstig probleem is dat, naarmate de ongelijkheid groter wordt, welvaart in wezen steeds ‘overerfbaarder’ wordt. In de VS is meteen al duidelijk dat dit in tegenspraak is met het – nogal rooskleurige – zelfbeeld van een maatschappij waarin iedereen begint met gelijke kansen. Maar ook in meer egalitaire samenlevingen als Nederland kan dit gaan wringen. Wie zich afvroeg waarom ongelijkheid zo hoog op de agenda staat, weet nu dat het ook in het belang is van de haves om haar niet te groot te laten worden. Een maatschappij zonder hoop op verbetering voor de kinderen en de kindskinderen van de grootste groep mensen wordt er niet stabieler op.

Vandaar dat Oxfams berekening dat de 85 rijkste mensen ter wereld evenveel vermogen hebben als de onderste helft van de wereldbevolking vorige week zo insloeg. De bevindingen voor Nederland, in deze column van afgelopen dinsdag riepen veel reacties op: mag je de 85 rijksten van Nederland daar wel mee vergelijken? De Nederlandse bevolking is met 16,8 miljoen tenslotte een factor 416 kleiner dan de wereldbevolking van 7 miljard.

Allereerst heeft niet alleen de top 85, maar zelfs de top drie van Nederland meer vermogen dan (meer dan) de onderste helft van de bevolking. Dat scheelt een factor 28. Bovendien zijn de Nederlandse superrijken minder rijk dan de mondiale superrijken. Onze top drie heeft samen 9,8 miljard euro. De mondiale top drie heeft een factor 15 maal zo veel (146 miljard euro).

Beide factoren maken samen het omvangsverschil tussen de Nederlandse bevolking en de wereldbevolking goed. En dan te bedenken dat onze top drie dus méér heeft dan de helft van de Nederlandse bevolking. De vermogensongelijkheid is hier, met dank aan de woningcrisis waardoor meer dan een miljoen huishoudens een nettohypotheekschuld heeft, dus nogmaals groter dan gedacht.