Ben ik ooit in deze wereld aangekomen?

Lieke Marsman Foto Roger Cremers

Een van de bekendere gedichten van de Amerikaanse dichter William Carlos Williams is ‘This is just to say’. Hij schreef het in 1934. Eigenlijk is het geen gedicht, maar een briefje, door de dichter ’s nachts achtergelaten op de keukentafel. ‘Even dit’ heet het in het Nederlands, in de vertaling van Huub Beurskens: ‘Ik heb / de pruimen / uit de koelkast / opgegeten // die je / vast had / willen bewaren / voor het ontbijt // Het spijt me / ze waren heerlijk / zo zoet / en zo koud.’ Het klinkt vriendelijk, en attent – zodat de volgende ochtend niemand teleurgesteld zal zijn. Maar er zit, zo voelt iedereen wel aan, toch ook iets van plezier in, om dit koele, zoete buitenkansje, en iets van leedvermaak. Echt schuldbewust klinkt het niet.

Zo voelde Kenneth Koch het ook, toen hij het las. Het inspireerde hem, in 1962, tot een aantal variaties, maar dan sterk uitvergroot, zodat er een parodie ontstond. ‘Ik heb het huis neergehaald waar je deze zomer had willen wonen. / Sorry daarvoor, maar het was nog vroeg, ik had niets te doen / en de houten planken zagen er zo mooi uit.’ En zo nog drie van die quasi vriendelijke briefjes waarin iets hatelijks werd meegedeeld. De vorm is aanstekelijk. Vorig jaar werd het in Amerika een rage op Twitter om elkaar op deze verontschuldigende toon de ergste rampen aan te kondigen.

Lieke Marsman doet het ook, in haar nieuwe bundel De eerste letter, in een reeks van vijf ‘Variaties op Variations on a Theme by William Carlos Williams door Kenneth Koch.’ Dat gaat dan bijvoorbeeld zo: ‘Ik had acht maanden een relatie met je, maar ik was al die tijd lesbisch. / Ik bleef in je buurt, want je beste vriendin was zo knap. / Sorry.’ Hier is een getergde ex-geliefde aan het woord die wanhopig probeert haar gram te halen. Het effect is grappig, maar ook aandoenlijk. De harde grap slaat vanzelf terug op de spreekster. ‘Ik liet mijn hond in je gezicht bijten en je bloedde als een rund. / Vergeef me. Je leek me zo lief en zo zacht die dag / en ik wilde alleen maar kijken of je dat echt was, zo lief / en zo zacht.’

Gemengde gevoelens

Deze reeks maakt deel uit van een serie gedichten waarin Marsman terugkijkt op een aantal stukgelopen relaties, met veel gemengde gevoelens – en in veel verschillende stijlen. Rauw, vilein, maar ook vaak breeduit pratend en hardop denkend. Echt ‘verwerkt’ is het allemaal nog niet. De gedachten gaan alle kanten op. Soms nemen ze de vorm aan van korte, gedicht-achtige impressies, met af en toe een echte dichterlijke vergelijking: ‘wanneer ik niet goed uit mijn woorden kom / stel ik me voor hoe mijn gedachten / kleine hondjes zijn, lastige puppy’s / die ik uitlaat in mijn gesprekken met jou / waarin ze niet meer dan kleine plasjes doen / om hun territorium af te bakenen.’ Maar soms nemen ze ook de vorm aan van een lange zeurderige monoloog, of brief, of betoog, inclusief puntsgewijze opsomming van de acht redenen die het standpunt van de ex moeten weerleggen.

Is dit nog wel poëzie, vroeg ik me op heel wat plaatsen af. En ik was niet de enige. In een gedicht met de titel ‘Poëzie’ beschrijft Marsman dat het lang niet altijd wil lukken. ‘Poëzie / lijkt me vandaag een land / waar ik geen ticket naar toe heb gekregen.’ Hoe ziet dat eruit, zo’n dag waarop de poëzie zich op een ver eiland lijkt te bevinden? ‘Ik probeerde de hele dag op het woord “Bastognekoeken” te komen / en toen dat eindelijk lukte, bleef ik / gewoon op bed zitten.’ Het niveau van deze gedichten is vaak simpel – op het kinderlijke af.

Angstdromen

Op dit gedicht volgt nóg een gedicht met de titel ‘Poëzie’, waarin het gaat over de tijd ‘toen ik de poëzie verloor’. Marsman heeft het hier over haar angstaanvallen en angstdromen, die in de eerste afdeling van de bundel aan de orde komen. A is de eerste letter waarnaar de titel van de bundel verwijst: de A van Angst. De gedichten zijn niet erg coherent, ook niet in de terugblik. Ze geven blijk van een doorgedraaide toestand, met veel hyperbewustzijn en wanhopig gezoek naar bezwerende woorden. ‘De mooiste mens is de mens die niet nadenkt’ is een typerende verzuchting. Typerend lijkt mij ook deze angst: ‘Misschien / is alles wat je ooit wilde schrijven / doodgegaan voordat je het je / kon herinneren.’ En misschien is zij zelf dan wel, of in ieder geval de dichteres in haar, een ‘ongeborene, / die het voor gezien hield / door nooit haar ogen te openen.’ Hier ergens lijkt mij de kern van deze poëzie te liggen: wie ben ik, waar ben ik, ben ik eigenlijk wel ooit in deze wereld aangekomen?

Het denken daarover maakt Lieke Marsman bij voorbaat tot een interessante dichteres. Maar al dat gedenk is meteen ook haar zwakte. Er zit veel stoffig gepieker en richtingloos geredeneer bij. In dichterlijk opzicht is het allemaal nogal vormeloos en fragmentarisch. Soms komt er een sterke regel voorbij, of een geslaagde inval, of een verrassend beeld. Soms weet ze haar gedenk achterwege te laten en rechtstreeks haar wanhoop en woede uit te spreken, maar dan is het in een van William Carlos Williams en Kenneth Koch geleende vorm. Ik weet het nog niet. Misschien schuilt er een goede columniste in haar.