Column

Aanwijzingen voor vuil spel tegen Frans Weekers

Ik weet niet meer wie het heeft gezegd. Alle politieke carrières eindigen slecht. Misschien heb ik het zelf wel bedacht. Het unieke aan de politieke carrière van Frans Weekers, die in de nacht van woensdag op donderdag op desastreuze wijze tot een einde kwam, is dat die al slecht begon – en dat die van daar alleen maar bergafwaarts is gegaan.

Of het nou ging over zijn contacten met de corrupte Van Rey, vriendendienstjes, een reclamezuil, Bulgarenfraude, te laks of te streng toeslagenbeleid, telkens weer moest hij uitleg geven aan de Kamer en telkens weer bleek dat hij daartoe helemaal niet in staat was. Hij kwam in zijn verdedigingen keer op keer niet verder dan „ik reken dit alleen mijzelf aan, sorry, ik wist niet van de problemen, ik had inderdaad wel van de problemen móeten weten, excuses zijn op zijn plaats, ik beloof verbetering”.

Die verbetering kwam niet.

Toch leek er voor aanvang van het debat van afgelopen woensdag weinig aan de hand te zijn. Hij moest opnieuw uitleg geven over iets wat was misgegaan, maar niemand had het idee dat zijn positie wankelde. Hij heeft zichzelf tijdens het debat de das om gedaan.

Het was een genante vertoning. Hij stond te stamelen, hij kwam niet uit zijn woorden en had geen antwoorden op de simpelste vragen. Het leek alsof hij geen flauw idee had waarover hij sprak.

Zoals collega Bert Wagendorp van De Volkskrant treffend zei: „Het leek wel Lucky TV.”

Langzamerhand bekroop mij een heel ander gevoel. Als de staatssecretaris een Kamerdebat moet voeren over problemen bij de uitbetaling van toeslagen, is de eerste vraag die hij kan verwachten over hoeveel mensen het gaat. Hij wist het niet. Toen de Kamer informeerde naar de inhoud van een brief die zijn ministerie de dag daarvoor had gestuurd naar de gedupeerden, had hij die brief niet paraat. Hij heeft honderden ambtenaren wier taak het nu net precies is om dit soort feitelijke informatie voor hem voor te bereiden.

Die ambtenaren hebben zo opzichtig gefaald dat de vraag in mij opkwam of ze dat misschien expres hadden gedaan. Ik heb verschillende spionnen op verschillende ministeries en die zeggen mij allemaal dat dat uiterst ongebruikelijk zou zijn. „Je zit daar voor je minister en je staatssecretaris”, zei een van hen. „Je enige taak is om hen uit de wind te houden. Daaraan ontleen je je bestaansrecht.”

Heel terecht dat dat zo werkt. Ambtenaren moeten het politieke spel ondersteunen, ze moeten niet zelf spelers worden. Toch was ik niet helemaal gerustgesteld, want de aanwijzingen voor vuil spel zijn te saillant. Maar als de ambtenaren op Financiën hun eigen bewindsman hebben gesaboteerd, zou dat het werkelijke schandaal zijn. Dat zou veel ernstiger zijn dan de problemen met de toeslagen.