Wie rijk is krijgt lekkers

Wie met de directeur van de Hermitage een gesprek begint over museumstukken die het Sovjetleger in 1945 uit Duitsland heeft geroofd, krijgt steevast hetzelfde verhaal te horen. Over de vrede die de bolsjewistische regering in 1918 sloot met Duitsland, bij Brest-Litovsk. Een van de eisen van de Duitsers was de teruggave van enkele schilderijen uit de Hermitage die ooit door een napoleontische generaal waren geroofd uit het keurvorstendom van Hessen-Kassel. Zoals Rembrandts Kruisafname.

De tsaar had de werken gekocht van keizerin Josephine. In 1918, 112 jaar later, wilden de mensen in Kassel ze terug. Ze kregen ze niet. Wat willen ze nu, 208 jaar na de roof?

Het is duidelijk waarom Michael Piotrovsky dit verhaal zo vaak vertelt. Hij wil ermee zeggen: er is zoveel geroofd, begin maar niet te denken aan restitutie. Irina Antonova, tot vorig jaar zijn collega van het Poesjkin Museum (ook vol roofkunst), maakte er een retorische vraag van: „Driekwart van de Italiaanse kunst in het Louvre is met Napoleon naar Parijs gekomen. Allemaal repatriëren?”

De vraag onder deze restitutie-sceptici is: zit er een verjaringstermijn op roofkunst?

In vergaderingen van de VN-cultuurorganisatie Unesco blijkt telkens weer: slachtoffers van kunstroof vinden van niet. Griekenland blijft Engeland om zijn Parthenonbeelden vragen. Nigeria wil zijn tweeduizend jaar oude Nok-beelden terug, terwijl Spanje, zelf ook kunstroofprofiteur, niet actief lobbyt voor teruggave van, bijvoorbeeld, de prachtige Murillo-schilderijen die uit Hospital de la Caridad in Sevilla via een napoleontische commandant in twee musea in de VS zijn beland.

In die Unesco-vergaderingen valt op hoe snel de assertiviteit groeit van het ‘zuiden’. Hun diplomaten menen, geparafraseerd: ontwikkelingshulp? Allemaal prima, maar geef ons eerst terug wat jullie hebben meegenomen. Het ‘noorden’ sputtert tegen: jullie hebben eerst meer ontwikkeling nodig om die kunstschatten veiligheid te bieden.

De garanties dat bronlanden de capaciteit hebben goed voor kunst te zorgen, zijn inderdaad niet hard. Bekend voorbeeld: een museum uit het Belgische Tervuren gaf objecten terug aan Congo. Die doken later weer op in Europa, als handelswaar.

Maar Congo is Griekenland niet, en zeker geen China of Turkije. Snelgroeiende economieën die ooit werden leeggeplunderd, blijken ongevoelig voor dit kunstvriendelijke argument om aan restituties te ontkomen. En juist hun groeiende zelfbewustzijn uit zich in discussies over roofkunst. Zij beseffen dat de wereldwijde verplaatsing van cultuurgoederen altijd dezelfde kant uitgaat: van arme en machteloze landen naar machtige en welvarende landen. Een Nigeriaan kan in het Louvre prachtige Nok-beelden zien. Maar een Nederlander kan geen Rembrandtschilderijen bewonderen in Nigeria. Een wereldatlas van roofkunst is een kaart van machtsverhoudingen.

Landen als China en Turkije realiseren zich tegelijk dat die machtsverhoudingen niet onwrikbaar zijn. Turkije, een land dat in slechts twee decennia is uitgegroeid tot de achttiende economie ter wereld, net onder Nederland, verstrekt nog slechts bruiklenen aan Engelse en Amerikaanse musea na stevige onderhandelingen. Eerst meer archeologische vondsten terug. Of neem China, dat razendsnel stijgt in de wereldpolitiek. Al sinds 2009 heeft het land een apart staatsorgaan dat zich bezighoudt met de wereldwijde zoektocht naar uit China geroofde kunst. Het boekte onlangs een enorm succes: China kreeg twee grote bronzen koppen terug, van een rat en een konijn die ooit voor een Pekings zomerpaleis hebben gestaan. Franse en Britse troepen plunderden het en de Franse particulier die ze bezat wilde ze absoluut niet teruggeven. Maar tijdens een staatsbezoek van François Hollande bleek dat China genoeg druk had uitgeoefend: de president gaf ze terug. Zelfs veilinghuis Christie’s had meegeholpen aan de repatriëring. China betaalde niets. De staatstelevisie sprak van „een teken van vriendschap”.

Dat lukt Nigeria zelden. Net zo min als een andere, maar minder machtige stijger, India. Onlangs nog bevestigde premier Cameron dat de Britten de 109-karaats diamant Koh-i-Noor niet teruggeven. Het argument: de steen is al zo vaak geroofd en door zoveel machthebbers – de diamant duikt al op in Mesopotamische teksten van 3200 voor Christus – dat Engeland geen enkele reden ziet het ding uit de omvangrijke collectie van Elizabeth te halen.