Waar de buit gebleven is, weet niemand

Plunderaars in Isan Bakhriat, een archeologische vindplaats in Irak, 2003 Foto Getty Images

Vroeger werd Mieke Zilverberg nog wel eens ingeschakeld door de politie. De handelaar in archeologische objecten kreeg dan de vraag de herkomst te bepalen van stukken die elders in beslag waren genomen. „Maar het komt eigenlijk nauwelijks meer voor”, zegt ze, in haar galerie aan het Rokin in Amsterdam.

In landen in het Midden-Oosten die in burgeroorlog zijn, zoals Irak, Egypte en Syrië, worden archeologische plaatsen niet alleen beschadigd in de strijd, er zijn ook tal van verslagen van plunderingen en illegale opgravingen. Internationale bendes zouden actief zijn om waardevolle objecten weg te smokkelen. Maar zij komen niet bij de gespecialiseerde Nederlandse kunsthandelaren hun buit aanbieden.

„Ik heb ze hier nooit gezien”, zegt Zilverberg. Eenzelfde geluid klinkt even verderop van Vincent Geerling, haar concurrent aan de Spiegelstraat. „U denkt natuurlijk dat hier regelmatig een man met een grote snor met een plastic tasje vol waardevolle objecten aan de deur staat”, zegt de eigenaar van galerie Archea. „Ik moet u teleurstellen, er komt hier nooit iemand. Niet met spullen uit Irak, niet uit Libië, niet uit Egypte en niet uit Syrië.”

Geerling heeft navraag gedaan bij collega’s in het buitenland. Hij is voorzitter van hun vereniging IADAA (International Association of Dealers in Ancient Art). Ook daar heeft niemand iets aangeboden gekregen. „Wel heeft een Franse collega die in een Egyptisch museum onderzoek had gedaan de foto’s die hij ter plekke had gemaakt op internet gezet toen dat museum was geplunderd. De Franse politie kon door die foto’s een aantal objecten herkennen toen zij ze aantrof.”

Geerling maakt zich druk dat de kunsthandel soms wordt geassocieerd met illegale handel in roofkunst. „Het lijkt soms alsof wij schuldig zijn, tenzij we zelf het tegendeel bewijzen. Maar waarom zou een gerespecteerde handelaar, vaak zelf een liefhebber, zijn jarenlange reputatie op het spel zetten? Er zijn veel verhalen, maar wij zien nog niets.”

De verhalen van de kunsthandelaren sluiten aan bij die van Erfgoedinspectie, de Nederlandse douane en politie. Hoewel Nederland in het verleden in Unesco-rapporten is aangeduid als transitoland van illegale kunstgoederen is er vooralsnog geen hard bewijs dat ons land die rol speelt bij archeologische roofkunst uit conflictgebieden. Marja van Heese, senior inspecteur bij de Erfgoedinspectie, zegt dat de douane 20 tot 25 archeologische en kunstvoorwerpen per jaar meldt bij haar dienst. Die worden aangetroffen bij controles op de internationale lucht- en zeehavens. Op basis van risicoanalyses onderzoekt de douane bagage van passagiers en vracht van post- en koeriersbedrijven. Als er iets verdachts wordt aangetroffen, komt de Erfgoedinspectie kijken om goederen zonodig in bewaring te nemen voor verder onderzoek. Van Heese: „In veel gevallen gaat het om vals alarm.”

De Nederlandse politie doet alleen onderzoek als er een internationaal rechtshulpverzoek komt. Bij de regionale korpsen is te weinig expertise om in Nederland zelf actief op zoek te gaan, erfgoed heeft geen prioriteit. Het landelijke politieteam kunst- en antiekcriminaliteit in Zoetermeer krijgt zo’n twintig tot dertig keer per jaar een rechtshulpverzoek vanuit het buitenland, vertelt hun chef Martin Finkelnberg. Het gaat dan om voorwerpen die bijvoorbeeld zijn opgedoken op internet en waarvan het herkomstland vermoedt dat ze het land uit zijn gesmokkeld.

Maar in lang niet alle gevallen blijkt het om illegale handel te gaan. „Het kunnen ook voorwerpen zijn die jaren geleden langs legale weg naar Nederland zijn gekomen. Of voorwerpen die jaren geleden geroofd zijn uit een land, maar waarvan de verjaringstermijn is verlopen. Vaak is het moeilijk om erachter te komen of iets legaal of illegaal in Nederland is gekomen. Het probleem is dat deze voorwerpen in de herkomstlanden niet goed gedocumenteerd zijn. Ze lagen begraven onder de grond en niemand heeft er foto’s van.”

Interpol in Lyon heeft een database met roofkunst, maar daarin staan vooral schilderijen en sculpturen en weinig archeologische objecten. Slechts zelden leidt een politieonderzoek tot strafrechtelijk onderzoek. „In het beste geval worden voorwerpen door onze tussenkomst teruggegeven aan het herkomstland”, zegt Finkelnberg. „Maar de daders gaan meestal vrijuit.”

Teruggaves

Nederland heeft één keer, in 2009, zeventig voorwerpen teruggegeven aan Irak. Die waren opgespoord nadat een aantal ervan op internet te koop was aangeboden. De aanbieder is nooit vervolgd. In 2012 gaven de Duitsers 45 objecten terug aan Irak. Maar om grote hoeveelheden of uitzonderlijk kostbare voorwerpen gaat het zelden.

Grote partijen of uiterst waardevol Syrisch cultureel erfgoed zijn nog nauwelijks in het westen gevonden. Het land met archeologische en kunsthistorische schatten in plaatsen als Aleppo en Palmyra dreigt echter veel kwijt te raken, alleen al door het oorlogsgeweld. Er zijn meldingen dat strijdende partijen archeologische objecten ruilen voor wapens. Jihadisten zouden bovendien erfgoed vernietigen, om daarmee de culturele identiteit van de bevolking kapot te maken. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook in Mali.

Sommige internationale organisaties proberen ter plekke plundering en vernietiging te voorkomen. Het Prins Claus Fonds redde bijvoorbeeld manuscripten uit de bibliotheek van Timboektoe in Mali. Archeoloog Joris Kila voert op eigen initiatief strijd tegen de plundering van cultureel erfgoed. Zo reisde hij al naar Macedonië, Irak, Libië en Egypte. Nu is hij net terug van een reis door het noorden van Mali, waar hij de schade opnam die is toegebracht aan monumenten, archeologische vindplaatsen en archieven. Kila was er als voorzitter van een internationale militaire werkgroep die tot doel heeft cultureel erfgoed in conflictgebieden te beschermen.

De meeste vernielingen die hij aantrof waren aangericht uit jihadistische motieven. Maar onder andere de archeologische vindplaats Djenna-Djenné, waar objecten zijn opgegraven uit 200 voor Christus, was deels geplunderd om geld te verdienen. „Je kunt het die mensen nauwelijks kwalijk nemen, ze moeten ook eten. Maar ook rebellen doen mee aan het plunderen. Zij gebruiken de opbrengst om hun strijd te financieren. Daarom is het beschermen van cultureel erfgoed ook een zaak van militair belang.”

Smokkelbendes

Ondanks de aandacht voor preventie verdwijnen er – volgens schattingen, exacte cijfers bestaan niet – tienduizenden of zelfs honderdduizenden objecten uit de conflictlanden. Daar staan de teruggaven van tientallen objecten tegenover.

Dat gat kan niemand verklaren, waar de buit blijft weet eigenlijk niemand. Onbevestigde verhalen zijn er genoeg. Grote verzamelaars zouden bendes opdracht geven bepaalde objecten te roven om hun collectie aan te vullen. De Golfstaten worden als bestemming genoemd, met Dubai als draaischijf, net als Oost-Europa. Op internet zou er door illegale handelaren in gehandeld worden, maar kanalen daarvoor zijn niet gevonden.

Twee maanden geleden was er een uitzonderlijk grote teruggave. De Cornell University uit de Verenigde Staten beloofde 10.000 kleitabletten en rolzegels met spijkerschrift uit het oude Mesopotamië terug te sturen naar Irak. De universiteit had ze in 2003 gekregen van de familie van advocaat en archeologisch verzamelaar Jonathan Rosen. Hoe Rosen ze had verkregen werd niet bekendgemaakt. De Amerikaanse justitie had bemiddeld bij de teruggave, maar begon geen strafrechtelijk onderzoek. De 900.000 dollar belastingaftrek die de familie voor de gift had ontvangen, mocht ze houden.

Volgens Neil Brodie, onderzoeker aan het criminologisch instituut van de Universiteit van Glasgow, wringt daar de schoen. Brodie, archeoloog van origine, is een van de weinige academici die onderzoek doen naar de illegale handel in roofkunst. „In de zaak-Rosen had juist wel onderzoek gedaan moeten worden”, zegt hij. „Dan krijg je zicht op de stromen uit die conflictgebieden.”

Brodie is ervan overtuigd dat sinds 1990 steeds dezelfde smokkelbendes actief zijn, die iedere keer weer opduiken als er een nieuw conflictgebied ontstaat. „In de jaren na de Eerste Golfoorlog zijn de smokkelroutes opgebouwd vanuit Irak en Jordanië. We weten dat ze er zijn, maar ze zijn nooit opgerold. In twintig jaar is er gewoon niets aan gedaan. In 2003, 2004 en 2005, na de Amerikaanse invasie, konden die bendes ze zo weer gebruiken toen er opnieuw geplunderd en geroofd werd.”

Brodie stelt dat grote privéverzamelaars direct van deze bendes kopen. De kunsthandel hebben ze daarbij niet nodig. Pas jaren later duiken objecten op bij veilingen of kunsthandelaren. „Dat zag je met kleitabletten en zegelrollen uit Irak gebeuren. De herkomst is dan niet duidelijk, of er is met de herkomstpapieren gerommeld. Niemand gaat na waar ze vandaan komen.” Hij verwacht dat het over een aantal jaren met objecten uit Syrië ook zo zal gaan. „De politie gaat er alleen achteraan om de objecten terug te kunnen geven.”

Hij laakt het beleid dat wordt gevoerd. „We focussen op bescherming van archeologische vindplaatsen met bewaking, educatie van omwonenden en oprichting van erfgoedinstanties in die landen. En op teruggave van objecten die worden aangetroffen. Maar daarmee verhelp je het probleem niet. Niemand doet serieus onderzoek hoe ze in Europa of de VS zijn terechtgekomen. De politie legt daar de prioriteit niet, het kost veel geld en inzet om daarachter te komen. Maar als je dat niet doet, duiken die bendes direct op in elk conflictgebied voordat je de preventie op gang hebt gebracht. Nu is het Syrië, welk land volgt daarna?”

Dat gebrek aan aandacht bij de politie wordt bevestigd door de Belg Dirk Deklerck, die van 2003 tot 2006 bij Europol hoofd was van de afdeling Cultural Property Crime. Hij trachtte de samenwerking binnen Europa te bevorderen. „Maar het engagement van de verschillende lidstaten was zo verschillend dat ik na een paar jaar op dood spoor liep”, zegt hij. „Het stond simpelweg niet op de prioriteitenlijst.” Bij Europol is nu geen afdeling meer die zich hiermee bezighoudt.

Uit ontevredenheid zijn sommige particulieren zelf ten strijde getrokken tegen de handel in roofkunst. Tasoula Hadjitofi, voormalig honorair consul van Cyprus, probeert met haar non-gouvernementele organisatie Walk of Truth de internationale samenwerking tussen verschillende landen en opsporingsinstanties te bewerkstelligen. Haar netwerk strekt zich uit van diplomaten en hoge functionarissen bij Scotland Yard en Europol tot voormalig kunstsmokkelaar Michel van Rijn. Van Rijn zette ze met medeweten van de politie in bij het in de val lokken van een malafide handelaar in Duitsland, die ruim 5.000 geroofde kunstschatten uit de hele wereld had. Na zestien jaar juridisch getouwtrek werden 200 iconen, mozaïeken en fresco’s teruggegeven aan Cyprus door de Duitse autoriteiten, die ze in beslag hadden genomen.

„Orthodoxe methodes werken vaak niet bij de strijd tegen de illegale handel in cultureel erfgoed, dat heb ik na 27 jaar wel geleerd”, zegt zij. „Het verbaast mij niet dat de Nederlandse douane zo weinig kunstschatten tegenkomt bij controles. Ik heb eens een kunsthandelaar in de VS overgehaald om mij een icoon toe te zenden. Hij stopte het in een pakketje van FedEx. Het werd hier keurig aan de deur afgeleverd.”