Column

Prachtparaplu

We raasden voort in de trein van Amsterdam naar Rotterdam. In de buurt van station Schiphol kwam in het gangpad een man van mijn leeftijd naast me staan die vriendelijk vroeg: „Loopt u wel eens buiten in de regen?” Ik was net verdiept in een boek en reageerde nogal verbouwereerd.

„Hoe dat zo?”, vroeg ik. Je kon toch moeilijk binnen in de regen lopen? Maar dat bedoelde die meneer ook helemaal niet. Hij toonde me een grote zwarte paraplu. „Die kunt u van mij krijgen”, zei hij, „ik vlieg straks naar een warm, droog land.”

Ik aarzelde. Wat moest ik de hele dag met zo’n gevaarte? Maar mijn vrouw reageerde al: „Nou, dank u wel.” Zij is van nature dankbaarder jegens de mensheid ingesteld dan ik. Hij knikte en liep door naar achteren, waar zijn vrouw met grote koffers op hem stond te wachten. Zij waren van dat natte Nederland af.

„Wat aardig van zo’n man”, zei mijn vrouw. „Jij draagt hem straks?” vroeg ik. Die dingen kun je beter meteen regelen, eventueel contractueel. „Niet alleen straks, maar altijd”, zei ze terwijl ze de paraplu liefdevol inspecteerde, „het is een prachtparaplu, sterk en als nieuw.” „Vandaag zou het droog blijven”, waarschuwde ik nog.

Ik probeerde terug te keren naar mijn boek, maar werd daar al kort na Schiphol bij gehinderd door de conductrice, die „uw vervoersbewijzen” wilde zien. De paraplu lag nog dwars over ons beider schoot en het kostte ons de nodige moeite om ons ervan te bevrijden, terwijl we op zoek gingen naar de ov-chipkaarten in onze jassen.

„Waar is uw tweede kaartje?”, vroeg de conductrice. We bleken zonder het te beseffen de highspeedtrein te hebben genomen. „Dan betaalt u per persoon een tientje toeslag”, zei de conductrice. Ruim zeven euro daarvan, zo bleek me later, is boete, maar dat zei ze er niet bij – toeslag is een veel vriendelijker woord. Als je bij NS wat sneller wilt reizen, moet je extra dokken; slowspeed is de norm.

Aan de overkant van het gangpad keken reizigers nieuwsgierig naar ons. Gluiperige zwartrijders, dachten ze vermoedelijk. Terwijl we onze kaarten opborgen, sloeg de paraplu met een klap tegen de grond. „We krijgen nog spijt van dat kreng”, mompelde ik.

In Rotterdam stond nog net geen zonnetje aan de heldere hemel, maar het was onwaarschijnlijk dat het die dag alsnog ging regenen. Mijn vrouw torste de paraplu aanvankelijk met de souplesse van een speerwerper, maar halverwege gaf ze hem toch maar aan mij. Zo liepen we Polare binnen, twee dagen voor de sluiting. Het glorieuze Donner van vroeger was onherkenbaar veranderd. Overal stonden ramsjboeken in kartonnen dozen.

Wel eens boeken ingekeken met een paraplu in de oksel geklemd? Ik gaf het snel op. Ook later, in de bioscoop, eiste de paraplu meer aandacht op dan mij lief was. We zaten achterin, de vloer helde naar beneden, zodat het riskant was de paraplu plat op de grond te leggen. Daarom hielden we hem, stijf rechtop gezeten, om beurten tussen onze knieën geklemd. Het gaf ons het aanzien van schildwachten op de uiterste voorpost.

’s Avonds vonden we troost bij een warme maaltijd in een klein restaurant. De paraplu konden we goed kwijt onder de tafel.

In de trein naar huis zei mijn vrouw na een poosje: „Waar is de paraplu?” We keken elkaar aan en wisten onmiddellijk het goede antwoord. Ik keek naar buiten. Schiphol naderde – en het regende nog steeds niet.