Nu maakt ook Obama zich er druk over: ongelijkheid

En dit is de werkelijke inkomensverdeling in de VS.

Aan het begin van 2014 staat economische ongelijkheid stevig op de internationale agenda.

President Obama wijdt er de laatste jaren van zijn ambtstermijn aan – het was daarom ook het belangrijkste thema van de State of the Union (vergelijkbaar met de Troonrede in Nederland) die Obama in de nacht van dinsdag op woensdag hield.

En niet alleen Obama vestigt de aandacht op het onderwerp, ook de rijken van de wereld maken zich zorgen over de economische ongelijkheid: het was vorige week het thema op het World Economic Forum in Davos, waar politici en grootverdieners elkaar ontmoetten.

De VS zijn de grootste economie ter wereld, én een van de landen in het Westen met de grootste ongelijkheid. De ongelijkheid is er sinds de jaren tachtig sterk gegroeid, laat de vooraanstaande econoom Emmanuel Saez van de Amerikaanse universiteit van Berkeley zien.

De inkomensongelijkheid groeide hard onder Clinton, en zette versneld door onder Bush jr. Elke recessie hakte er bij vrijwel de gehele bevolking veel harder in dan bij de topinkomens, en bij herstel nam die top telkens een grotere voorsprong. De rijkste 10 procent van de Amerikanen verdient nu 50 procent van het totale bruto inkomen – het grootste aandeel sinds 1917, volgens Saez. Door sociale programma’s en belasting wordt dat iets getemperd, maar niet veel.

Vooral na de crisis van 2009-2012 is die top razendsnel teruggeveerd: 95 procent van de opbrengst van het herstel na de crisis kwam ten goede aan de bovenste 1 procent. Bij de rest is er nog nauwelijks iets veranderd. Geen wonder dat het aloude inkomensverschil in de VS nu zo in het oog springt.

Verschil is niet alleen in VS groot

Maar op wereldschaal valt de Amerikaanse ongelijkheid erg mee. Dat wil zeggen: in veel andere landen is het verschil niet veel kleiner.

Volgens de Servische Wereldbank-econoom Branko Milanovic, die in een recent artikel een gedetailleerd portret schetst van mondiale ongelijkheid, verdient de rijkste 8 procent ter wereld de helft van het totale wereldinkomen. De overige 92 procent verdeelt de andere helft.

Middenklasse groeit wereldwijd

Mondiale ongelijkheid is volgens Milanovic sinds de jaren tachtig beïnvloed door drie verschillende ontwikkelingen:

(1) ongelijkheid binnen landen groeide als gevolg van globalisering, deregulering en economisch beleid;

(2) ongelijkheid tussen landen groeide door de versnelde voorsprong die het Westen nam;

(3) de snelle groei van een nieuwe mondiale middenklasse: de 200 miljoen Chinezen, 90 miljoen Indiërs en nog enkele tientallen miljoenen, vooral Brazilianen en Indonesiërs, die zich aan de armoede ontworstelden.

Het slechte nieuws is dat de allerarmste 5 procent er tussen 1988 en 2008 licht op achteruitging, terwijl de rijkste 1 procent (60 miljoen mensen, onder wie de rijkste 12 procent van de Amerikanen, rijke Europeanen en een aantal Brazilianen, Russen en Zuid Afrikanen) er 60 procent op vooruitging.

En wij Europeanen zitten klem

Opmerkelijk is dat de subtop in de wereld, de bovenste inkomenssegmenten waarin onder meer de bevolking van West-Europa valt, stagneerde en er soms op achteruitging.

Dit is deels de verklaring van de plotselinge grote ongerustheid over ongelijkheid in ons deel van de wereld: wij Europeanen zitten met onze stagnerende rijkdom klem tussen de demarrerende superrijken en het naderende peloton van de nieuwe mondiale middenklasse.

Zo ziet de wereld er dus uit: hij wordt snel rijker – behalve voor de allerarmsten en voor Europeanen. Hij wordt, heel voorzichtig, een heel klein beetje gelijker. Maar hij is nog steeds ontzettend ongelijk.