Neem je een obelisk voor me mee?

Van links naar rechts: Naald van Cleopatra in Londen, New York en Parijs. Foto’s Corbis

De naam die ze hebben gekregen is letterlijk nogal oneerbiedig. ‘Vleesspiesjes’ noemde een Oude Griek de granieten monumenten die in Egypte voor grote tempels stonden. De Egyptenaren zagen de uit één stuk steen gehouwen kolossen zelf als zonnestralen. Maar de Griekse naam is blijven hangen, alsof alleen een verkleinwoord deze giganten behapbaar kan maken.

Want als er één soort monument is waarbij de grootte er wel toe doet, dan is het de obelisk, een monument van de overtreffende trap. Zo zwaar, zo hoog, zo groot zijn deze monolieten dat ze bijna onmogelijk lijken; er is macht en kracht voor nodig om ze op te richten. Zoiets maakt indruk. Het nationale monument van Jakarta, een obelisk van 130 meter hoog, heet in de volksmond ‘de laatste erectie van Soekarno’. Obelisken zijn nauwelijks verhulde fallussen; ze een symbool noemen voelt eigenlijk overdreven. Verlengstukken, dat zijn het. Monumenten zijn vaak fallussen: ook pilaren, zuilen en stèles fungeren als gedenkteken. Maar de obelisk met zijn taps toelopende zijkanten en kleine piramide op de top is altijd in gebruik gebleven.

De vorm werd 4.000 jaar geleden uitgevonden door de Egyptenaren ter ere van de zon en de farao en heeft sindsdien de wereld veroverd. Overal staan obelisken, van Washington tot Woudenberg. In een groeve in Aswan ligt er nog een die niet is afgemaakt omdat het graniet scheurde. Opgericht zou hij 42 meter hoog zijn geweest, net zo hoog als de eerste wolkenkrabber. Vaak gedenken de obelisken oorlogen; vaak zijn ze zelf oorlogsbuit. Egyptische obelisken waren zo gewild als prooi dat er nu meer buiten (22) dan binnen Egypte (6) staan.

De val van Troje

Het belang van kunstzinnige en religieuze voorwerpen als oorlogsbuit was al bekend bij de Oude Grieken. In de Ilias vertelt Homerus over het Palladion, een beeld van de godin Athene dat Troje beschermt. Pas als dit beeldje de stad verlaat, zal Troje kunnen vallen. Het Palladion wordt door Odysseus gestolen, waarna Troje inderdaad valt. De Romeinen konden er ook wat van. Op triomftochten werden in Rome niet alleen de wapens en de mensen meegevoerd die de generaals hadden buitgemaakt, maar ook schilderijen, standbeelden en sieraden. Om het volk te laten zien wat de oorlog in Macedonië aan kunstvoorwerpen had opgeleverd, waren in 168 v. Chr. 250 wagens nodig.

Plunderingen waren in de Oudheid evenwel aan regels onderhevig, in ieder geval formeel. Tempels mochten niet zomaar leeggeroofd worden. In de beroemde rechtszaak tegen Gaius Verres, gouverneur van Sicilië, bekritiseerde Cicero de hebzucht van de gouverneur. Eerder had Polybios zich al uitgesproken tegen de manier waarop de Romeinen Syracuse hadden geplunderd: „Ze hadden de dingen kunnen achterlaten die geen materiële waarde hebben, en zo jaloezie hebben vermeden en de reputatie van hun land vergroot.”

Maar zulke tegenstemmen verhinderden niet dat Egypte van zijn grootste verplaatsbare monumenten werd ontdaan zodra de Romeinen de kans kregen. De eerste was keizer Augustus, die in 10 v. Chr een obelisk uit Heliopolis op het Circus Maximus in Rome liet zetten. Voor het transport had Augustus een speciaal schip laten bouwen, dat tentoongesteld werd in de haven en bijna evenveel bekijks trok als de obelisk zelf. Toen het Romeinse Rijk ten onderging, hadden Augustus’ opvolgers meer dan vijftig obelisken uit Egypte weggehaald en neergezet in Arles, Israël en Istanbul.

De obelisken van Rome raakten in de Middeleeuwen allemaal in verval. Op één na vielen ze om en verdwenen onder het puin van de Romeinse beschaving. In de Renaissance werden ze weer opgegraven en, meestal op instigatie van een paus, weer opgericht. Dat niemand de hiëroglyfen die de meeste obelisken bedekten meer kon lezen, gaf kennelijk niet. Ook toen al bewezen ze zowel de macht van heersers als de wispelturigheid van die macht.

Het duurde tweeduizend jaar voor Europeanen weer obelisken begonnen weg te halen uit Egypte. Keizer Napoleon, die zich spiegelde aan zijn Romeinse voorgangers, kreeg van zijn Josephine te horen voor hij naar Egypte vertrok: „Neem een obelisk voor me mee.” Maar de Engelsen verhinderden de Franse verovering van het oude land. Toch kreeg Parijs in 1833 een obelisk, als geschenk van de onderkoning van Egypte, die de Fransen te vriend wilde houden. Met groot ceremonieel vertoon werd de obelisk geplaatst op Place de la Concorde, het plein waar tijdens de terreur de guillotine stond.

Ook toen waren er tegengeluiden. De Franse schrijver Petrus Borel vroeg zich af waarom er op een plein in Parijs een monument zou moeten staan dat een vorst uit een ander land en een andere tijd vereert. Maar juist omdat de obelisk voor de Fransen niets betekende, was het volgens de Franse koning Louis Philippe het juiste monument op de juiste plaats. Het bracht in ieder geval het eigen roerige verleden niet in herinnering. Het was een abstract monument voor macht.

Zakenman

De obelisken die in 1877 en in 1897 in Londen en New York werden neergezet, waren geen staatszaak meer. De obelisk in Londen was door de Egyptische onderkoning tegelijkertijd met de Franse aan Groot-Brittannië geschonken, maar de Engelsen vonden het te duur hem op te halen. Een rijke zakenman financierde in 1877 transport en plaatsing. Hetzelfde gebeurde met de ‘naald van Cleopatra’ in New York. Deze obelisken staan op een veel minder prominente plek dan Place de la Concorde. De Amerikaanse kwijnt weg in Central Park, de Engelse wordt weinig bezocht aan de oever van de Theems. Ook bij de plaatsing van deze giganten vroeg men zich af of een obelisk wel gepast was. Wat doet een monument voor een oude koning in een moderne republiek? De vorm van de obelisk was toen wel al geannexeerd. Het monument voor de eerste president van de VS, George Washington, kreeg ook de vorm van een obelisk, al was die niet van graniet.

De New Yorkse obelisk is de laatste die Egypte heeft verlaten. Mussolini had het wel gewild, maar Egypte was inmiddels geen wingewest meer. Maar toen Italië in 1935 Ethiopië veroverde, zag hij zijn kans schoon. Mussolini liet een stèle van de koningen van Axum uit de vierde eeuw voor Christus naar Rome halen. Hij plaatste die op een plein vlakbij het Circus Maximus. In 1947 stemde de nieuwe Italiaanse regering in met het teruggeven van alle oorlogsbuit uit de jaren dertig aan Ethiopië. Het zou wel nog tot 2008 duren voor de stèle naar Ethiopië terugkeerde, ditmaal per vliegtuig – de steen was het zwaarste object dat ooit door de lucht is vervoerd.