Museum vol verderfelijke schilderijen

Het hangt vredig in een zaaltje in Museum Folkwang. Hoe kan een mens dit een verfoeilijk schilderij vinden? Het is prachtig roze en stevig geelgroen. Tanzpaar, zelfs de naam roept vertedering op. De dansende man en vrouw gaan jaloersmakend op in hun dans en geven niets om wie naar hen kijkt.

Ernst Ludwig Kirchner schilderde het in 1914 en sinds 1925 hing het tussen werk van andere Duitse expressionisten in museum Folkwang in Essen. Tot de nazi’s het in 1937 van de muur rukten, samen met nog 1.400 werken uit de collectie. Het danspaar werd niet alleen verwijderd, het werd diezelfde maand nog getoond als voorbeeld van verderfelijkheid op de propaganda-expositie Entartete Kunst in München. Geholpen door hatelijke muurteksten – „Verhönung der Deutschen Frau Ideal: Kretin und Hure” – kreeg het Duitse volk te zien wat voor wanstaltige en beledigende kunst in hun musea hing. Hitler bezocht de expositie die later op tournee ging, een miljoen Duitsers lieten zich opzwepen en keken er vaak walgend naar.

Maar ze moeten toch dat heerlijke roze gezien hebben van haar wijde dansjurk die sierlijk openvalt omdat ze diep bukt en tegelijk een been hoog de lucht in zwiept. En haar danspartner in zijn zacht groengele pak die haar voorzichtig bij de pols houdt.

77 jaar geleden schuifelden haters erlangs, nu hangt het blije werkje van Kirchner weer in Essen. In 1978 heeft Folkwang het met steun van enkele stichtingen terug kunnen kopen. In 1941 bleek een particulier het bij kunsthandelaar Ferdinand Möller in Berlijn gekocht te hebben. In 1978 kwam het in handen van iemand die het aan Folkwang verkocht.

Rode paarden

Tobia Bezzola (52), sinds een jaar directeur van Folkwang, merkt als hij door het museum loopt niet de gaten die de nazi’s sloegen in zijn collectie. „Je voelt die wel als je de schilderijen in andere musea ziet hangen. In het Saint Louis Art Museum hangt onze Matisse, Bathers with a turtle, het Harvard Art Museum in Boston heeft ons schilderij met de rode paarden van Franz Marc.”

Gevraagd naar welk schilderij hij het meeste mist, noemt de Zwitser Bezzola de Matisse. Ook omdat die uit de verzameling van Folkwang-oprichter Karl Ernst Osthaus (1874-1921) komt. „In Osthaus’ collectie is deze Matisse een sleutelwerk. Het is een van de radicaalste schilderijen van Matisse, in 1908 een visionaire sprong in het onbekende. Duitse expressionisten werden door velen in Duitsland verzameld, maar een Matisse als deze had niemand. Buiten Frankrijk kochten enkel Russen zulke werken.”

Folkwang, dat eerst in het naburige stadje Hagen was gevestigd, was al snel het toonaangevende museum voor moderne kunst in keizerlijk Duitsland. Het wordt beschouwd als het allereerste museum voor eigentijdse kunst ter wereld. Folkwang had als eerste Gauguin, Cézanne, Matisse en Van Gogh in de collectie. Na de dood van Osthaus in 1921 werd de collectie, volgens zijn wens, door de burgers van Essen, verenigd in de Folkwang-Museumsverein, verworven voor een nieuw museum onder leiding van zijn vriend Ernst Gosebruch. „Het mooiste museum ter wereld”, schreef in 1931 Harvard-professor Paul J. Sachs, een van de oprichters van het Museum of Modern Art in New York.

De grote Matisse met de drie badende vrouwen en een schildpad is op 6 juli 1937 door de nationaal-socialisten in beslag genomen bij een eerste grote landelijke inzameling voor de expositie Entartete Kunst in München, samen met 36 andere schilderijen, 3 beelden, 17 tekeningen en aquarellen en 12 bladen grafiek. In augustus volgde een tweede, nog ingrijpender, ‘schoonmaakactie’.

Folkwang raakte in totaal rond de 1.400 kunstwerken kwijt, waaronder 131 schilderijen (15 kwamen later terug, enkele hangen nu in andere Duitse musea). Het was daarmee een van de zwaarst door de nazi’s getroffen musea, die in totaal 17.000 tot 20.000 werken uit musea verwijderden. Wat niet geruild of verkocht werd, is op 20 maart 1939 verbrand. De 125 belangrijkste werken, die waarvoor men de meeste buitenlandse deviezen kon krijgen, werden in de zomer van 1939 bij galerie Fischer in Luzern geveild. De Amerikaanse familie Pulitzer verwierf daar Folkwangs Matisse, die zij in 1964 het Saint Louis Art Museum schonken.

Gruwelkabinet

De directeur van Folkwang werd er onder nazidruk in 1933 uitgewerkt. Zijn opvolger, NSDAP-lid Klaus Graf von Baudassin, richtte meteen een gruwelkabinet in met volgens hem verwerpelijke kunst en was landelijk actief bij de nazificatie van de Duitse kunstwereld en in 1937 medeorganisator van de Entartete Kunst. In 1938 werd hij door zijn assistent Heinz Kühn opgevolgd, die directeur bleef tot 1960.

Na de oorlog moest het museum onder druk van de geallieerden schilderijen teruggeven die het tijdens de oorlog in Frankrijk had gekocht. Folkwang kwam soms maar moeizaam tot regelingen met nabestaanden van Joden die hun kunst ter bewaring of aan het museum hadden verkocht of als bruikleen toevertrouwd. Zoals in eigenlijk ieder Duits museum zijn de wonden van dat verleden nog lang niet geheeld. „We zijn inmiddels twee, drie generaties van de Tweede Wereldoorlog verwijderd en nog steeds zijn het wankele zaken”, zegt Bezzola. „In de jaren vijftig, zestig en zeventig vroeg niemand naar het verleden van de kunst die je kocht. Dat is iets van pas de laatste twintig jaren. Het is goed dat men nu toegeeft dat men nog lang niet klaar is met het verleden. Maar het is niet gemakkelijk.”

Ook de nieuwste affaire, de zaak-Gurlitt, laat Folkwang niet onberoerd. Het museum kende Hildebrand Gurlitt overigens al. Die gaf er in 1929 een lezing over de barokkunst in Dresden. En in 1941 informeerde Gurlitt, hij was een van de weinigen die nog in ontaarde kunst mochten handelen, naar de beschikbaarheid van schilderijen van Max Liebermann. Het museum reageerde positief met een lijstje werken van de Joodse schilder. Tot een deal kwam het niet, maar directeur Bezzola sluit niet uit dat tussen de meer dan 1.200 kunstwerken die in het appartement van Gurlitts zoon in München in beslag zijn genomen, werk zit dat ooit in zijn museum hing.

Maar niets van Gurlitt dat inmiddels door justitie op Lostart.de is gepubliceerd komt uit Folkwang, zegt Bezzola. Al is dat bij tekeningen en grafiek onmogelijk met zekerheid te zeggen als er niet een stempel of aantekening op staat. „Zelfs als er wel iets van ons tussen zou zitten, dan is de situatie erg lastig. De nazi’s hebben de inbeslagname in 1938 gelegaliseerd met een wet. Dat betekent dat het museum geen rechten meer heeft. Na de oorlog is er wel gesproken over het ongeldig maken van die wet, in Oost-Duitsland hebben de Russen dat gedaan, maar in West-Duitsland is dat niet gebeurd. Nu is het te laat, want er zou een lawine van eisen ontstaan. Als wij recht zouden kunnen laten gelden op iets uit de Gurlitt-collectie, dan zouden we dat ook kunnen doen op de andere in beslag genomen werken. Dan zouden we de Matisse uit Saint Louis kunnen terugeisen. Dat zal niet gebeuren.”

Bezzola maakt een uitzondering voor kunst van Joodse eigenaren die tussen 1930 en 1939 is verkocht. „In die gevallen is restitutie vaak problematisch, omdat bewezen moet worden dat de verkoop onder druk gebeurde en/of dat de prijs beneden de markwaarde was. Zulke complexe zaken kunnen niet allemaal op een bevredigende manier worden afgerond. Misschien is een omkering van de bewijslast een oplossing. Of dat we afspreken dat alles na, zeg, maart 1933, geldt als niet legitiem.”