Monopolie dreigt op de kabelmarkt

De aangekondigde miljardenovername van kabel- en mediabedrijf Ziggo door zijn wat kleinere concurrent UPC confronteert Nederland met twee schaduwkanten van marktwerking. De eerste is de excessieve opbrengst voor de bestuurders en het hoger management van Ziggo. Zij worden bij de overname beloond alsof zij werkelijk ondernemersrisico liepen, terwijl het gaat om aandelen die zij als beloning kregen naast hun salaris, of kochten toen Ziggo als bedrijf werd geformeerd. Met hoge beloningen of bonussen is niks mis, mits ze gebaseerd zijn op uitmuntende prestaties. Maar de verkoop van een bedrijf aan een grootaandeelhouder is niet zo’n huzarenstukje.

De tweede schaduwkant is de overrompelende marktpositie die de combinatie krijgt: 7 miljoen Nederlandse huishoudens, 90 procent van de markt. De twee bedrijven benadrukten deze week vooral deze cijfers. Dat zegt voldoende: zij hechten aan deze (potentiële) machtspositie en dat is het eerste waarover zij hun aandeelhouders wilden informeren.

De versnipperde kabelbedrijven, die ooit gemeentelijke nutsbedrijven waren, zijn nu grotendeels in één commerciële hand gebracht: die van de Amerikaanse mediaondernemer John Malone, die de feitelijke zeggenschap heeft bij Liberty Global. In andere bedrijfstakken zou zo’n marktpositie, terecht, als een monopolie worden ervaren dat niet mag ontstaan. Hier putten de betrokkenen zich uit in de voorspelling dat de klant er niet zo veel van merkt.

Bij die geruststellende prognoses passen enkele kanttekeningen. De verdediging van een landelijk monopolie, met als argument dat eerder al regionale monopolies bestonden, is geen sterk verhaal. Monopolies reduceren de keus van consumenten en stellen de monopolist in staat hogere dan marktconforme prijzen te vragen. De tweede kanttekening is de toetsing van deze overname door de concurrentiewaakhond ACM. Die heeft de meeste bundelingen in sectoren van algemeen nut (zorgverzekeraars, ziekenhuizen, energiebedrijven) laten doorgaan. Toch verdient deze kabelcombinatie, gezien haar marktpositie, een frisse, compromisloze toets.

Gelukkig zijn er drie tegenkrachten. Allereerst de macht van de klager – niet zozeer als individu, maar via de Consumentenbond en tv-programma’s als Radar. De tweede is de consument in zijn rol als kijker, beller en internetter; er zijn concurrenten. En drie, in het verlengde daarvan, is de technologische vernieuwing. Angst voor een nieuwe doorbraaktechnologie of nieuwe uitdagers is een belangrijke drijfveer om schaalomvang na te streven en ‘ingekapselde’ klanten uit te melken. Maar als het verleden ons iets heeft geleerd: technologische vernieuwing is de beste bondgenoot van de consument.