Lucratieve handel in rituele beelden

Met twee oude koppensnellerszwaarden en een tovenaarsdoos meldde Michel Thieme zich twee jaar geleden bij het Sarawak Museum in Kuching, het oudste museum van Borneo. Op zijn reizen door Oceanië deed de Amsterdamse handelaar in tribale kunst vaker inkopen. Nam hij die aankopen in het verleden vaak gewoon mee naar huis, ditmaal meldde hij zich voor een exportvergunning bij het museum.

Omdat het geen onvervangbaar nationaal erfgoed betrof, kreeg Thieme die. „Goede koop”, mompelde de museumconservator bij het stempelen van de formulieren. De Maleisische grensbeambten, en later op Schiphol ook de Nederlandse douaniers, verbaasden zich over de exportpapieren. Thieme: „Ze keken als ganzen naar het weerlicht, zoiets hadden ze duidelijk nog nooit eerder meegemaakt.”

Sinds 2009 dienen Nederlandse handelaren en musea zich te houden aan een Unesco-verdrag dat cultureel erfgoed beschermt. Onderzocht moet worden of aanwinsten niet gestolen of geheeld zijn en of ze het land van herkomst op legale wijze hebben verlaten. In Latijns-Amerika, Afrika, Azië en het Midden-Oosten plunderen kunstdieven op grote schaal archeologische vindplaatsen, musea, tempels en kerken. De oogst wordt aan toeristen verkocht of naar Noord-Amerika en Europa gesmokkeld. De clandestiene handel in culturele goederen is net zo lucratief, stelt Unesco in een recente publicatie, als die in wapens en drugs. Ook omdat sommige etnografische voorwerpen de afgelopen decennia extreem in waarde zijn gestegen.

Museumspreekuur

Het Rijksmuseum Volkenkunde in Leiden krijgt wekelijks illegaal geëxporteerde voorwerpen aangeboden. Bijvoorbeeld een neolithische bijl, door een toerist gevonden in de Sahara. Of een arm van een mummie, gekocht als souvenir in Peru. Conservator Laura van Broekhoven: „De eigenaren zijn vaak trots en worden boos als wij uitleggen dat ze zo’n bijl beter niet hadden kunnen meenemen.”

En gaat een voorwerp op het museumspreekuur al vergezeld van een exportvergunning, dan is die vaak vals. Van Broekhoven: „In veel bronlanden zijn ook nepvergunningen te koop. Soms weten wij dat iets niet kan kloppen. Bij twee stèles, Afrikaanse gedenkstenen, die een bezoeker meebracht, bleek het te gaan om nationaal erfgoed. Daar wordt nooit een vergunning voor verleend. Toen we over die papieren vragen stelden, hoorden we niets meer. Later zag ik die stèles op een Nederlandse kunstbeurs staan.”

Het Unesco-verdrag tegen de illegale handel in erfgoed is in 1970 mede met subsidie uit Den Haag opgesteld. Dat het vier decennia duurde voordat Nederland als laatste land in West-Europa het verdrag in 2009 bekrachtigde, lag vooral aan conflicterende belangen: musea pleitten voor het striktere Unidroit-verdrag, handelaren voelden daar niets voor. In 1994 besloten de volkenkundige musea in Nederland zich al te gaan houden aan het Unesco-verdrag. Bij koop, schenking of bruiklenen onderzochten conservatoren voortaan of objecten zich vóór 1970 al buiten het land van herkomst bevonden en of ze niet waren gestolen of geheeld. Als ze na 1970 waren geëxporteerd, moesten ze zijn voorzien van de juiste papieren.

Controle

Michel Thieme, die veertien jaar geleden zijn kunsthandel begon, had aanvankelijk geen besef van de Unesco-regels. Bij inkoop stelde hij vragen over de achtergrond van de voorwerpen, maar vooral uit interesse voor het verhaal. Acht jaar geleden hoorde hij van de winkeliersvereniging in het Amsterdamse Spiegelkwartier, dat inkoopregisters gecontroleerd zouden kunnen worden. En toen het Unesco-verdrag in 2009 werd geratificeerd, adviseerden collega’s om de winkelinventaris door een notaris te laten vastleggen.

Controle heeft hij nooit gehad. Maar de verwarring over de nieuwe regels is groot. Voor Thieme reden om drie jaar geleden lid te worden van de ethische commissie van de Stichting Volkenkundige Collectie Nederland. Deze adviseert musea over mogelijk illegale herkomst en repatriëring van voorwerpen of collecties. Thieme: „Ik wilde weleens weten hoe het juridisch zit.”

Bij de commissie heeft Thieme gepleit voor nuance. Vooral als het ging om ‘betwiste’ museale aanwinsten uit de periode tussen 1970 en 2009, het gat tussen de ingang van het Unesco-verdrag en het jaar dat Nederland het ratificeerde. Thieme: „Voorwerpen die in die tussentijd werden verzameld, waren plots besmet. Wanneer stukken na 1970 geëxporteerd bleken te zijn, heb ik ervoor gevochten om meer naar de wetgeving van de bronlanden te kijken. Was op het moment van export volgens het bronland geen exportvergunning vereist, dan kan men hier niet van handelaren en verzamelaars verwachten dat zij zo’n document hebben als zij een voorwerp aan een museum aanbieden.”

Of de handel altijd zo ethisch verantwoord te werk gaat, is de vraag. Van Broekhoven maakt soms een rondgang langs handelaren in Amsterdam, Brussel en Parijs en verbaast zich over de precolumbiaanse bodemvondsten die worden aangeboden. „Als ik vraag naar herkomstpapieren, worden handelaren meestal niet blij.”

Roofexpedities

Voor veel cultureel erfgoed dat vóór 1970 en dan vooral in het koloniale tijdperk werd buitgemaakt, bestaan geen juridische regels. Lang wilden musea zelfs niet discussiëren over de wijze waarop ze in het verleden kunstschatten hebben verworven. Die houding is aan het veranderen. In Duitsland woedt bijvoorbeeld een discussie over het Humboldt Forum, het plan om met de vermaarde collecties van de etnografische staatsmusea in Dahlem als basis een 590 miljoen euro kostend wereldmuseum in het centrum van Berlijn te maken. Tachtig organisaties, verenigd in No Humboldt 21, reppen van een ‘Showroom für Raubkunst’ en dringen erop aan om de 500.000 kunstvoorwerpen uit Dahlem te repatriëren.

Voorbeelden van teruggave zijn er ook. De regering-Den Uyl gaf in 1977 de ‘schatten van Lombok’ terug aan Indonesië. Dat was een collectie sieraden uit de collectie van het Rijksmuseum Volkenkunde in Leiden die in 1894 door Nederlandse militairen werden buitgemaakt en waar Jakarta sinds 1974 in het kader van een cultureel akkoord om had gevraagd.

Het museum in Leiden bezit meer collecties die roofkunst genoemd zouden kunnen worden, onder andere tientallen bronzen voorwerpen uit Benin. „Ondanks de afwezigheid van juridische gronden voelen we een morele en ethische verplichting om met repatriëringsvragen aan de slag te gaan”, zegt Van Broekhoven. „In maart gaan we bijvoorbeeld met een Zuni-delegatie praten over een zogeheten Ahayuda-godsbeeld, een ritueel voorwerp in onze collectie.”

Teruggave van eigendomsrechten is niet de eerste inzet bij zulke gesprekken, zegt de conservator. „Die maakt de discussie veel te zwart-wit.” Wat het museum doet is de collectie toegankelijk maken, reizende tentoonstellingen maken en de herkomstlanden medezeggenschap bieden over wat er met de voorwerpen gebeurt. Dat is wat veel landen willen, zegt Van Broekhoven. „De vraag aan wie je voorwerpen zou moeten overdragen, is vaak moeilijk te beantwoorden. En bovendien zijn de omstandigheden in veel bronlanden niet geschikt voor een verantwoorde teruggave.”