Failliet van een staatsparadijs

Pompoensoep, een moot vis met groente en rijst, toetje. Jure en Danijel, twee Sloveense studenten mechanica, hebben in restaurant Mirja in Ljubljana het dagmenu besteld. Het restaurant zit bomvol. Obers rennen af en aan, damp slaat tegen de ramen. Je zou niet zeggen dat dit land economisch zó aan de afgrond staat, dat het een paar weken geleden bijna naar het Europese noodfonds moest.

Totdat de rekening komt. Danijel tikt een code in op een speciaal machientje van de ober en laat het bonnetje zien: de maaltijd kostte 6 euro. Maar omdat Sloveense studenten in restaurants staatssubsidie krijgen, betaalde hij maar 3,37 euro. De staat fourneert 2,63 euro. Op het bonnetje staat dat hij deze maand nog 45 gesubsidieerde maaltijden mag eten. „Kijk goed om je heen”, zegt hij. „Aan bijna alle tafeltjes zitten studenten.”

Op afstand lijken de problemen van euroland Slovenië terug te voeren op roekeloze, inhalige bankiers. Half december bleek uit stresstests dat er 4,8 miljard euro extra kapitaal naar acht Sloveense banken moest. Veel geld, voor een land met amper twee miljoen inwoners waarvan de economie sinds 2008 met 11 procent kromp. De sociaal-liberale premier Alenka Bratusek wil echter niet van noodfonds of verscherpt buitenlands financieel toezicht horen en besliste dat de staat dit zelf gaat ophoesten. De staatsschuld stijgt nu tot 75 procent. De banken worden geherstructureerd.

Vestzak-broekzak

Wie naar Slovenië reist, merkt meteen dat de bankiers in kwestie maar een deel zijn van het probleem – namelijk dat de staat zich overal mee bemoeit, en overal voor betaalt. Niet alleen eten en wonen studenten daardoor spotgoedkoop. Ook veel bankiers blijken in dienst van de staat, direct of indirect, en verstrekken soepel leningen aan bedrijven die óók in staatshanden zijn.

Kredietverstrekking in Slovenië is een ‘vestzak broekzak’-mechaniek. Socialisme en cliëntelisme zijn na de onafhankelijkheid – Slovenië verliet de Joegoslavische Federatie in 1991 – grotendeels intact gebleven. Slovenië was het beste jongetje in de Joegoslavische klas. Het systeem was hier efficiënter dan elders. De oorlog, die de economieën van Kroatië en Bosnië-Herzegovina verwoestte, duurde in Slovenië amper tien dagen. Daarom is het systeem hier nú pas op een dood punt aangeland.

„Estland, Tsjechië en andere Oost-Europese landen zaten na de val van de Muur aan de grond”, vertelt een zakenman die anoniem wil blijven. „Die moesten hervormen, bedrijven privatiseren. Bij ons was een revolutie niet nodig. De oude elite bleef aan. Ze trok alleen een nieuw jasje aan.”

Toen Slovenië bij de Europese Unie kwam (2004) en euro invoerde (2007), kreeg het toegang tot spotgoedkope kredieten. Daarmee hield de elite staatsbedrijven, die eigenlijk op de schop moesten, draaiend. Als ze niet rendeerden, namen ze gewoon meer krediet. Er kraaide geen haan naar. Bankiers, toezichthouders en bedrijfsmanagement maken deel uit van dezelfde coterie.

Hoofdzonde

Voorbeelden? Bandenfabrikant Sava, tevens eigenaar van Gorenjska Bank, kocht hotels. Zvon, eigendom van de kerk in Maribor, kocht een verfproducent en begon een tv-zender met pornokanalen. Brouwerij Pivovarna werd uitgever en ging hotels uitbaten, net als caravanbedrijf Autocommerce.

De lijst van grootste Sloveense bedrijven is een lange parade van concerns die direct of indirect in handen van elkaar en de staat zijn – de één nog wankeler dan de ander. De bankkredieten vloeiden naar slimme managers die hun staatsbedrijf in een holding hingen. Binnen die holding betaalden ze zichzelf enorme salarissen, terwijl binnen het staatsbedrijf alles hetzelfde bleef. Op beide niveaus vrat dit geld. Bostjan Jazbec, gouverneur van de Centrale Bank, noemt dit „de Sloveense hoofdzonde”.

Slovenen hebben soms nog privileges uit Tito’s tijd. Toen een buitenlander iemand ontsloeg die niet functioneerde, dwong het ministerie van Arbeid hem om de man weer in dienst te nemen. De ambtenaar zei: „Wij bepalen wanneer u hem ontslaat”.

Loonexplosie

Joegoslavische staatsbedrijven stuurden werknemers wekenlang op vakantie. Dat compenseerde de lage lonen. Maar de laatste jaren zijn die lonen geëxplodeerd – in 2008 stegen ze 10 procent, terwijl de economie 9 procent kromp. In 2009 stegen ze met 25 procent. De regering draaide dat in 2010 terug, maar de vakbonden stapten naar de rechter en wonnen.

Zo bekostigt de staat een sclerotisch systeem. Buitenlandse investeerders, die tien jaar geleden redelijk wilden betalen voor Sloveense bedrijven, werden tegengewerkt. De Belgische bank KBC kocht 22 procent van de grote Sloveense staatsbank NLB, met een contractueel uitzicht op méér aandelen. Maar de regering in Ljubljana brak het contract en weigerde meer te verkopen. KBC vertrok. De Belgische bierbrouwer Interbrew wilde het Sloveense Union overnemen, maar de regering gaf Union aan een andere Sloveense brouwerij, Laško. Nu is ook Laško, half in handen van staatsbanken, weinig meer waard.

Anders dan Polen of Estland hield Slovenië buitenlandse investeerders op afstand, omdat het niet in het ‘nationaal belang’ was. Deze notie is heilig in het land dat, nadat het deel uitmaakte van het Habsburgse Rijk en de Joegoslavische Federatie, pas twintig jaar onafhankelijk is. Het verklaart waarom er Slovenië vier symfonieorkesten telt en een eigen, verlieslijdend filmproductiebedrijf heeft.

Landverrader

Wie deze commerciële rampjes ter discussie stelt, wordt als landverrader in de hoek gezet. Zoran Jankovic, de invloedrijke en zakelijk omstreden burgemeester van Ljubljana, fulmineerde dat buitenlanders Sloveense bedrijven zouden sluiten en dat Slovenen naar Triëst in Italië moesten uitwijken om Sloveense producten te kopen. In een land waar Tito’s partizanen als helden worden vereerd en het establishment soms nog de Internationale zingt, ging dat erin als koek.

Slovenië hield ‘zijn’ supermarkt, Mercator. Een paradijs voor foodies, met tientallen soorten pesto. Maar het (staats)management liep van de rails. Elk jaar werden er meer bankkredieten in gestopt. Twee jaar geleden bood een Kroatische investeerder 400 miljoen voor een meerderheidsaandeel (53 procent). De Slovenen weigerden. Onlangs boden ze 200 miljoen voor hetzelfde aandeel.

Het spel is uit. Slovenië heeft dringend geld nodig. De regering-Bratusek heeft hervormingen aangekondigd: privatisering van staatsbedrijven, verhoging van de pensioenleeftijd, verlaging van de lonen. Maar of het gaat lukken? De behoudende krachten zijn sterk vertegenwoordigd, ook in de regering.

Toch krijgt Bratusek het voordeel van de twijfel van de Europese Commissie. Dat komt Brussel beter uit. „Een bail out voor Slovenië zou opnieuw een smet op het blazoen van de eurozone zijn”, beaamt een functionaris. Sommigen denken dat verscherpt toezicht Slovenië goed zou doen: misschien moeten buitenlandse experts de kussens in dit zo naar binnen gekeerde land opschudden.

„Als Slovenen collectief focussen komen ze ver”, zegt de Britse zakenman Kevin Morrison in Ljubljana. „Ze wilden Joegoslavië uit. Ze wilden bij de EU, de NAVO, de euro. Dat is ze allemaal gelukt.” Maar ditmaal is er geen focus. Het enige wat iedereen wil, is de schade voor zichzelf beperken. Dat kan weleens de moeilijkste klus in jaren worden.