‘Een zaak afdoen als verjaard is onredelijk’

Willibrord Davids, voorzitter Restitutiecommissie: „U moet af van het idee dat de huidige eigenaar altijd iets fout heeft gedaan als tot restitutie wordt besloten.” Foto David van Dam

In nabijheid van kunst wil Willibrord Davids nog wel eens verdiepende mijmeringen krijgen over zijn werk. Zo identificeerde hij zich met David toen hij voor het schilderij David en Goliath van Titiaan stond, in de basiliek van de heilige Maria della Salute in Venetië. Hij was voorzitter van de commissie die de politieke steun van Nederland aan de Irakoorlog onderzocht en stuurde aan de leden en medewerkers van die commissie een ansichtkaart van het schilderij. En toen Davids in het British Museum in Londen tegenover een landkaart stond van het oude Mesopotamië, in het huidige Irak, bedacht hij, bij de bestudering van aangekruiste vindplaatsen van objecten in het museum: dit is ook roofkunst.

Davids, voormalig president van de Hoge Raad, is nu vijf jaar voorzitter van de Restitutiecommissie die bindende adviezen geeft na restitutieverzoeken van mensen, of hun nazaten, die tijdens de oorlog schilderijen of andere cultuurgoederen zijn kwijtgeraakt. Roofkunst dus, al wil Davids voorzichtig zijn met dat woord. Want zoals een gezaghebbende jurist betaamt, geeft hij om de precieze betekenis van woorden. „Toen ik naar die kaart keek in het British Museum, zag ik: dát is roofkunst. Allemaal meegenomen in tijden van chaos. Bij het werk van de commissie ligt het soms net anders. Als de nazi’s een Joodse familie wegvoeren en daarna het huis leeghalen, ja, dan is er overduidelijk sprake van roofkunst. Maar veel van onze zaken betreffen ook werken die verkocht zijn door Joodse families op een veiling, of bij handelaren. Dat is in strikte zin van het woord geen roofkunst, maar het is gebruik geworden het zo aan te duiden.”

De commissie heeft in twaalf jaar tijd 141 verzoeken gekregen en 128 adviezen gegeven. En het werk zit er vooralsnog niet op: onlangs leverden de Nederlandse musea eigen onderzoek. Daaruit kwamen 139 werken van verdachte herkomst. Wat opvalt aan de toelichtingen die de onderzoekers bij deze werken geven, is dat ook als ze geheel te goeder trouw zijn gekocht en soms al in 1933, ze verdacht kunnen zijn. Want: als gevolg van het naziregime onvrijwillig afgestaan of afgenomen.

In dat geval kan de commissie adviseren: restitutie. Dat soort adviezen staan in schril contrast met de wijze waarop de overheid in de jaren direct na de oorlog omging met verzoeken tot teruggave.

Is het maatschappelijk klimaat snel aan het veranderen, ten faveure van de slachtoffers?

„Dat weet ik nog zo net niet. Ik hoor ook regelmatig: moet het nu niet eens afgelopen zijn? Dat begrijp ik ook wel. De claimanten die wij hebben zijn bijna nooit meer de oorspronkelijke eigenaar. Dat zijn we maar één keer tegengekomen. Daarnaast kregen we één keer een dochter, een oude dame in de negentig, en één keer een zoon, David Katz, ook in de negentig. Verder kleinkinderen. En over niet te lange tijd: achterkleinkinderen. Door de uitroeiing van hele gezinnen komen de claims ook vaak van zijverwanten. De restitutiewet van Tjechië bepaalt dat alleen afstammelingen in de directe lijn, tot in een bepaalde graad, recht op teruggave hebben. Daar is iets voor te zeggen.”

De voorzitter van het Centraal Joods Overleg Jigal Markuszower zei onlangs: „Mijn generatie is meer geïnteresseerd in restitutie en de financiële aspecten ervan dan mijn ouders en grootouders die de kunst daadwerkelijk hebben verloren.” Maar hij zei ook: „Alles moet terug.” De Restitutiecommissie moet „geen belangen afwegen maar onrecht rechtzetten”.

„Dat is de andere stroming. Wij opereren natuurlijk tussen beide stromingen in. Ik voel de druk van beide kanten. In kringen van de Joodse gemeenschap kom je de opvatting tegen dat de belangen van de huidige bezitter er niet toe doen. Maar wij doen wat in 1999 in de zogenoemde Washington Principles is vastgelegd: kijken naar álle omstandigheden en belangen, dus ook die van huidige bezitters.”

Toen bekend werd dat de Duitse autoriteiten de collectie-Gurlitt in beslag hadden genomen, bleek de ontwikkeling in denken over roofkunst ook internationaal niet te hebben stilgestaan. De Amerikaanse regering, een Duitse bondsminister en een gezaghebbend deel van de internationale pers, net als het hoofdcommentaar van deze krant, vroegen om een snelle restitutie van de kunst uit dat appartement die oorspronkelijk van Joodse verzamelaars is geweest. Dat het om een particuliere collectie ging, leek er weinig meer toe te doen. Terwijl het geen uitgemaakte zaak is dat voor particulieren dezelfde norm geldt als voor openbare instellingen.

Toen u voor het eerst hoorde van de zaak-Gurlitt dacht u: dat moet allemaal terug?

„Allesbehalve. Uit de verhalen in de pers begrijp ik dat een belangrijk deel van die verzameling aan Gurlitt is teruggegeven door de geallieerden, in 1951. Door die Monuments Men waarover die film zal gaan. Als dat geen ‘te goeder trouw’ is, wat is dat dan wel te goeder trouw?”

Maar uit uw adviezen blijkt dat te goeder trouw iets kopen allerminst betekent dat een eigenaar zeker is van zijn bezit.

„Nee, zeker niet. Ik wil maar zeggen dat die Gurlitt-zaak complex is. Ons criterium voor behandeling is: onvrijwillig verloren als rechtstreeks gevolg van het naziregime. In Nederland begon dat regime in 1940, in Duitsland in 1933. We hebben een zaak gehad waarbij het ging om een kunstwerk van de Joodse mevrouw Boas-Kogel. Een paneeltje, Winterlandschap, van Jan van de Velde II. Ze kocht het in 1934 en schonk het een jaar later aan het Rijksmuseum. Over dat paneeltje is een claim ingediend. Het werk moest in 1933 als gevolg van anti-Joodse nazimaatregelen door de Joodse eigenaar worden verkocht in Berlijn. Mevrouw Boas wist daar niets van toen ze het een jaar later kocht op een Amsterdamse veiling. De commissie besloot: het werk moet terug, naar de erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar. Dat wil niet zeggen dat die mevrouw ook maar iets verkeerd heeft gedaan.”

Maar ‘restitutie’ zet toch iets recht?

„Zo moet u dat niet zien. Het is niet zo dat een advies tot restitutie altijd betekent dat de nieuwe eigenaar nooit in het bezit had mogen komen. Het eigendom kan als onrechtmatig worden beoordeeld zonder dat dat de eigenaar onrechtmatig heeft gehandeld. Je ziet dat bijvoorbeeld in de Flersheimzaak, over een schilderij van Jan Toorop dat de Zeeuwse museumstichting in 1981 geheel te goeder trouw had gekocht. Wij zijn tot een beslissing gekomen waarin het werk teruggaat naar de erfgenamen, maar niet zonder dat zij het aankoopbedrag uit 1981 aan het museum betalen. Daar zou de commissie nooit toe hebben besloten als van kwade trouw sprake was geweest. U moet af van het idee dat de huidige eigenaar altijd iets fout heeft gedaan als tot restitutie wordt besloten.”

De kopers van werk van een Joodse vluchteling uit Duitsland in 1933 deden juist iets góéd door zijn kunst te kopen. Ze hielpen hem. Net als iemand nu een goede daad verricht door te kopen van vluchtelingen.

„Daarom denken we ook in de sfeer van compensatie. En we maken een afweging tussen alle belangen. Gekocht voor veel geld en te goeder trouw; dan zeg je niet zomaar: moet terug zonder compensatie. Neem die 139 kunstwerken in museaal bezit waarvan we nu weten: die hebben een verdacht verleden. Dat betekent allerminst dat de musea die de werken bezitten altijd laakbaar hebben gehandeld.”

Davids onderstreept dat restitutiewerk casuïstiek is: bijna geen zaak is identiek aan een andere. Dus moeten ze apart worden bekeken. Hieruit volgt, aldus Davids, dat het vangen van het probleem met wetsveranderingen niet de beste oplossing is. In Duitsland wordt daar nu wel over nagedacht, naar aanleiding van de zaak-Gurlitt. De regering bekijkt of de wettelijke verjaringstermijn moet worden verlengd.

Davids is er niet enthousiast over: „De burgerlijke rechter is voor deze zaken niet geëquipeerd. Klassieke wilsgebreken als dwang, dwaling, en bedrog; die hebben allemaal een heel korte vervaltermijn. Ze zijn niet toe te passen op de nazitijd, net zo min als begrippen als dwang, misbruik van omstandigheden en bewijslastverdeling. Dat werkt niet.

„Toen wij een bezoek brachten aan onze Duitse collega’s heb ik de slogan gelanceerd: normaal recht is voor normale tijden geschreven. De nazitijd was geen normale tijd. De commissie staat geen juridische benadering van roofkunst voor, maar een moreel-ethische. Daar is voor gekozen, hier in Nederland door regering en parlement, om te voorkomen dat zaken stuklopen op het verjaringsbeginsel. Het lakse optreden van overheden van 1945 tot en met de jaren 90, in bijna alle Europese landen, maakt het onredelijk naar die verjaring te wijzen. Met andere woorden: deze commissie is juist ingesteld om die strikt juridische benadering te verlaten, omdat die onrecht zou doen aan claimanten, aan slachtoffers. Toch zie je onder hen, en zeker onder hun advocaten, een zekere juridisering optreden. Dat is wel eens lastig.”