Duitsland denkt over Gurlitt-wet

Er zijn inmiddels 460 verdachte werken openbaar gemaakt via de website van de Duitse databank voor roofkunst. Tegelijk bestudeert een ‘taskforce’ met deskundigen de ‘kunstschat’, die in 2012 werd aangetroffen in München, in de woning van Cornelius Gurlitt, de tachtigjarige zoon van een voormalig kunstinkoper van Adolf Hitler.

In november 2013 hoorde de wereld ervan. De reacties bleken rijkgeschakeerd. Van „alles moet terug” tot „als er al onrecht is geschied, is dat verjaard” – en veel daar tussenin. Het Joods Wereldcongres en de Amerikaanse regering verweten de Duitse regering een lakse houding. Daarna maande de premier van Duitsland de Beierse autoriteiten tot spoed. Die reageerden, op hun beurt, met de voorbereiding van een wet die de verjaringstermijn voor roofkunstzaken verlengt. Op voorwaarde dat de bezitter wéét dat hij roofkunst bezit.

De laatste ontwikkeling in deze zaak, in de Duitse media nog altijd op de voet gevolgd, komt van de advocaat van de teruggetrokken levende, broze Cornelius Gurlitt. Die verklaarde deze week dat zijn cliënt „geïnteresseerd is in eerlijke oplossingen”. Dat wil zeggen: hij wil kunst teruggeven die geroofd is van Joodse families. Maar, zo voegde advocaat Hannes Hartung er direct aan toe, dat zijn op zijn hoogst vijf à zes werken.

De onderzoekers denken daar anders over. 593 van de 1.407 werken zijn volgens hen geroofd uit particuliere, meestal Joodse collecties. 384 behoorden tot de meer dan 20.000 werken die de naziregering uit Duitse musea haalde vanwege hun perverterende werking op de Duitse geest, de zogenoemde ‘entartete Kunst’. Nog eens 308 behoren de Gurlitt-familie toe: ze zijn aangeschaft vóór 1933 of na 1945.

Joodse families die werken herkenden, hebben zich inmiddels gemeld bij het OM van Augsburg. Zo wil de stad Mannheim de houtsnede Melancholisch meisje van Ernst Ludwig Kirchner terug. In 1937 haalden de autoriteiten het uit de Kunsthalle Mannheim. Er zijn meer musea die hebben aangekondigd een claim in te dienen. Probleem is wel dat de wet die de confiscatie in de jaren 30 mogelijk maakte, nooit uit de boeken is gegaan.

Ondertussen groeit de kennis over de waarde van de collectie. De aanvankelijke bewering van het weekblad Focus – met de primeur – dat die meer dan een miljard euro waard is, blijkt sterk overdreven. Vooral vanwege de grote hoeveelheid grafiek zal een twintigste daarvan al ruim zijn geschat: 50 miljoen.

De collectie is kunsthistorisch wel interessant: er zitten talloze werken tussen, vooral tekeningen, die niemand kende: ze staan nergens geregistreerd, ook niet als vermist.

Bijvangst van de belangstelling voor de zaak is dat Duitse journalisten veelzeggende details naar boven halen uit die fascinerende periode kort na de oorlog. Neem de brief aan de Amerikaanse bezetter van baron von Pölnitz, een overtuigde nazi die enkele kunsthandelaren met hun gezin op zijn slot liet logeren – onder wie Gurlitt.

De Amerikanen hadden in het slot ook een groep jonge, verweesde Joodse overlevenden uit de concentratiekampen ondergebracht. Ze waren in afwachting van emigratie naar Israël of Amerika. De baron schreef dat zijn vrouw de zenuwen kreeg; ze was ervan overtuigd dat de Joden slecht met het meubilair omgingen. Ze was zelfs flauwgevallen. Die Joden, konden die niet snel weer weg?