De moedigste ‘Monuments Man’ was een vrouw

In de dagen dat de Amerikaanse legerkapitein Robert Kelley Posey het Duitse plaatsje Aschbach binnenreed, deden hij en zijn manschappen de ene na de andere ontdekking. De geallieerde legers rukten op naar Berlijn en zij vonden kastelen, zoutmijnen en bunkers vol kunst; gekocht, geconfisqueerd of anderszins afgetroggeld van veelal Joodse bezitters. De kunst kwam uit alle uithoeken van het Derde Rijk. Poseys soldaten begrepen in die opslagplaatsen: de Duitsers waren ver gekomen.

In Aschbach betrad Posey het slot van baron Gerhard von Pölnitz, een overtuigde nazi die in de oorlog als Luftwaffe-officier gestationeerd was in Parijs. De baron was in het gezelschap van een aantal kunsthandelaren. Een van hen: Hildebrand Gurlitt. Hij was een paar dagen eerder aangekomen met zijn vrouw, zijn dochter Helene, zoontje Cornelius en een truck vol kunst.

Bijna zeventig jaar later zouden ruim 1.400 kunstwerken in het appartement van dat zoontje de wereld schokken. Vader had ze verzameld toen hij namens het naziregime in zogenoemde ‘entartete’ (ontaarde) kunst handelde en toen hij, vanaf 1943, kunst inkocht voor de Führer.

Niet voor niets plaatste Posey hem onder huisarrest. Zelf trok hij verder, om kort na Duitslands capitulatie zijn grootste ontdekking te doen: de zoutmijnen van Altaussee. Daarin lagen duizenden topstukken, zoals De astronoom van Johannes Vermeer, Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck en de Brugse Madonna van Michelangelo.

Posey was een van de ‘Monuments Men’, een groep van 345 mannen en vrouwen uit dertien landen die tijdens de Tweede Wereldoorlog monumenten beschermden, geroofde kunst opspoorden en, waar mogelijk, kunst terugstuurden naar de landen van herkomst. Ze waren museumdirecteur, conservator, bibliothecaris, architect of wetenschapper. De bekendsten onder hen hadden zich vrijwillig gemeld voor de ‘Monuments, Fine Arts and Archives Section’, een in 1943 opgericht legeronderdeel. Posey was in het dagelijks leven architect.

George Clooney

Volgende week gaat tijdens het filmfestival van Berlijn de film The Monuments Men van George Clooney in première (in Nederland op 13 februari). De film stond gepland voor december 2013, maar eind oktober kondigde Clooney uitstel aan: de special effects waren nog niet goed genoeg. Enkele dagen na zijn aankondiging was de kunstroof van de nazi’s wereldnieuws: in München was de collectie-Gurlitt gevonden, bij zijn tachtigjarige zoon Cornelius. In de nieuwshausse die volgde, bleek dat de Monuments Men een deel van die Gurlitt-collectie in 1945 in beslag hadden genomen. Grote vraag: waarom hadden de Monuments Men in 1951 de kunst teruggegeven aan Gurlitt? Ze gaven toch aan de rechtmatige eigenaren? Of tenminste aan de landen waaruit de kunst was geroofd?

Ja. Dat deden ze met meer dan vijf miljoen kunstwerken. Maar de roof was zo grootschalig dat ze zich concentreerden op de belangrijkste werken en op de gevallen waar de herkomst volkomen helder was. Bij Gurlitt lag dit ingewikkelder. Bovendien vormde zijn buit niet de belangrijkste vondst. Zo ontdekte Harvard-kunsthistoricus James Rorimer (in de film gespeeld door Matt Damon) slot Neuschwanstein, volgepropt met duizenden topstukken.

De mannen die Clooney in zijn film centraal stelt waren al terug in eigen land toen Gurlitt de werken terugkreeg. Rorimer werd in 1955 directeur van het Metropolitan Museum in New York. Hij ontpopte zich daar tot een ongeëvenaard fondsenwerver.

Rose Vallant

Net als in het gelijknamige boek van Robert M. Edsel, waar Clooney zich op heeft gebaseerd, belooft zijn dramatische komedie de rol van Rose Vallant (Cate Blanchett) in de kunstrestitutie breed neer te zetten. Dat zal kenners goed doen, want de belangrijkste en wellicht moedigste van de Monuments Men was een vrouw.

Voor de oorlog was deze smidsdochter een briljant studente kunst en kunstgeschiedenis, met diploma’s van diverse prestigieuze universiteiten. Toch begon ze (o teken van de tijd) als onbetaald medewerker van het museum Jeu de Paume in Parijs. De Duitsers sloegen nauwelijks acht op haar. En toen nazileider Alfred Rosenberg van het museum zijn hoofdkwartier maakte, was Vallant een van de weinige Fransen die mochten blijven. Rosenberg gebruikte het museum als verzamelpunt van roofkunst.

Van haar onopvallende voorkomen maakte Vallant haar wapen. Ze liet niet merken dat ze Duits sprak. Daardoor was ze in staat heimelijk bij te houden waar de kunst vandaan kwam en naartoe ging. Zonder haar hadden mannen als Rorimer en Posey nooit zoveel roofkunst weten op te sporen.

Na de oorlog werd ze de meest gedecoreerde vrouw uit Frankrijk. Maar anders dan de Amerikanen die ze hielp – die belangrijke functies kregen in het naoorlogse culturele leven van hun land – bleef Vallant werken op posities waarin ze zich bekommerde om roofkunst. Een feit uit haar cv dat niet meer uit de boeken is te krijgen: haar eerste betaalde baan kreeg ze in 1941. Van de Duitse bezetter.