Bosweg op, laadbak open, dumpen maar

Er is geen maan. Pikkedonker zijn de bossen van Huis ter Heide, een natuurgebied in het Brabantse De Moer. In de koplampen van de jeep schieten hazen en konijnen weg. Langs een zandpad staan loom enkele Schotse hooglanders op, sullig wachtend tot de auto is gepasseerd en zij weer kunnen gaan liggen.

Toezichthouder Luc Roosen maakt een ronde door de bossen waar regelmatig drugsafval wordt gedumpt. Afgelopen zaterdag trof hij hier ongeveer honderd vaten en jerrycans met chemicaliën die vermoedelijk waren gebruikt bij de productie van synthetische drugs. Samen ongeveer tweeduizend liter „zure troep”. De vaten lagen net buiten het terrein van zijn werkgever, Natuurmonumenten. „Een tegenvaller voor de eigenaar van dit bos”, zegt Roosen. „Het opruimen loopt behoorlijk in de papieren.”

Het fraaie landgoed is ’s nachts het domein van criminelen. „Dit is een geliefde dumpplaats.” Ze kunnen hun afval nergens legaal kwijt, en dus rijden ze een zandpad op, de bossen in. „De pakkans is heel klein”, zegt Roosen. „Ze rijden even een weggetje in, trekken de laadbak open en scheuren weer weg. Veel van deze bospaden zijn helaas niet afgesloten.” En zelfs afsluitingen hebben niet altijd effect. „Kijk, hier hebben ze de slagboom gewoon kapot gereden.”

Hobbelend door kuilen en plassen doorkruist Roosen de bossen. Bij een berg zand stapt hij uit. „Hier is een aanhanger leeg gekiept.” Regelmatig zien we volle vuilniszakken. Verderop een hoop teelaarde van afgeknipte hennepplanten. En dat daar? „Afzuiginstallaties van een hennepplantage.” Hij houdt de auto even stil. „Hier heb ik laatst een houseparty aangetroffen.” Het was niet moeilijk de feestvierders het bos uit te sturen. „Ze konden nauwelijks op hun benen staan. Ik heb ze nog wel eerst de rotzooi laten opruimen.”

Roosen is buitengewoon opsporingsambtenaar, een soort „groene wijkagent”. Af en toe staat hij oog in oog met onverlaten. Stropers bijvoorbeeld. „Je moet niet bang zijn uitgevallen, maar je moet ook niet de held willen uithangen”, vat Roosen de houding samen die hij bij zulke confrontaties aanneemt. Veelal verdwijnen de stropers razendsnel met hun daartoe geprepareerde auto’s. „Golfjes met snelle banden.”

Af en toe boekt Roosen een succesje. „Soms kun je ze overbluffen. Je haalt de contactsleutel uit de auto en dan kunnen ze nergens heen.” Hij staat rechtstreeks, via het communicatiesysteem C2000, in contact met de meldkamer van de politie die hij in dat soort gevallen om assistentie vraagt.

Ze zijn met z’n vijven, de buitengewoon opsporingsambtenaren van Natuurmonumenten, in een ruim vijfduizend hectare groot gebied, waaronder ook het Nationaal Park Loonse en Drunense Duinen. Roosen zou best wat vaker willen experimenteren met cameratoezicht, ook al worden camera’s vaak gestolen. Hij zou ook willen dat gemeenten meer boswegen afsluiten. En ja, hij zou er best een paar fulltime toezichthouders bij willen hebben. Want enerzijds heeft hij de indruk dat de criminelen zich door niemand laten tegenhouden. Anderzijds: „Als wij toezichthouders ermee ophouden, dan is het hek echt van de dam. Politie zul je hier niet tegenkomen. Die heeft andere prioriteiten.”