Altijd jij, altijd nu

‘In november komt hij te overlijden’, zegt iemand op de radio. Het is augustus. Wordt hier een macabere voorspelling gedaan?

‘Ook de politiek vindt dat er iets moet gebeuren en staatssecretaris Adelmund stelt een onderzoek in naar hoe het nu verder moet,’ lees je in de krant. Staatssecretaris Adelmund? De onderwijsredacteur had een blackout? Nee, beide gebeurtenissen hebben zich reeds afgespeeld, in het verleden (waar anders), maar worden in de onvoltooid tegenwoordige tijd genoteerd. De praesens historicum heet hij in het Latijn, in het Engels de historical present. De tvt, noem ik hem, de tegenwoordig verleden tijd.

De onvoltooid verleden tijd – hij kwam te overlijden, de politiek vond – is op zijn retour, in de krant kom je hem soms nog tegen, op radio en televisie is zijn uitroeiing nagenoeg voltooid.

Als de tvt geen bestaansrecht had zouden er geen namen voor zijn, het probleem is dat hij de standaard begint te worden, ten koste van de ovt. Niet alleen leidt dat soms tot verwarring, het werkt ook vervlakkend: de ovt en vvt bestaan niet voor niets, de historical present is bedoeld voor speciale gevallen, waarbij je historische gebeurtenissen beschrijft zoals ze zich toen voltrokken, alsof je erbij was. Juist naast de ovt en vvt komt die vorm goed tot zijn recht. Vervang je de één standaard door de ander dan haal je de diepte uit een vertelling. Je vervlakt het reliëf. Alles wordt ‘nu’. Merkwaardig: terwijl de filmindustrie naarstig zoekt naar een extra dimensie, wordt er in de taal juist eentje geschrapt.

In een gesprek op Twitter over dit onderwerp zei een leerkracht laatst: al die verschillende werkwoordstijden, je krijgt ze kinderen niet meer aangeleerd. Daarom schrappen wij er een paar. De twee verleden tijden bijvoorbeeld (ovt en vvt). Ottt, vttt, vttt, vvtt, de toekomstige tijden, zijn natuurlijk helemáál ingewikkeld en worden relatief weinig gebruikt, dus ook die vallen af. Zo blijven er twee tijden over: ott en vtt. Hopla, weken lestijd bespaard, toetsscore schiet omhoog, iedereen blij.

De tekstschrijfsters Lotte Schouten en Noortje Pellikaan riepen vorige week in de Volkskrant op tot het redden van de beleefdheidsvorm ‘u’. Ik wist eerlijk gezegd niet dat hij bedreigd werd, behalve bij BNN en Ikea. Zelf word ik juist steeds vaker met ‘u’ aangesproken, door jongeren die kennelijk niet zijn ingelicht dat ik tot een generatie behoor die altijd jong blijft en dus getutoyeerd wil worden. De prettigste oplossing is dat de jongere dan snel op ‘je’ en ‘jij’ overstapt, maar vaak blijven ze toch ‘u’ zeggen. Waarom?

Er kan gezonde, natuurlijke schroom in het spel zijn, de jongere wil wel maar durft nog niet goed. Maar er is nog een andere mogelijkheid. ‘Zeg maar jij’ – hoe vat de jongere dit op? Als een aanbod of als een verzoek? Geef ik de jongere toegang tot het voorrecht van de leeftijd, of vraag ik toegang tot het privilege van de jeugd?

Forever young – zo hadden ze het gedacht, de babyboomers en hun slipstream. En, eerlijk is eerlijk, het lukt vrij aardig. Maar soms tikken de jaren toch wel aan, en willen ze gewoon even een ouderwetse senior zijn. En dan morgen weer eeuwig jong. Zo geven zij een dubbelzinnig signaal af: je mag ons ‘u’ noemen maar alleen uit respect, niet omdat we oud zijn. En je mag ons ‘je’ noemen, maar alleen omdat we jong zijn, niet uit gebrek aan respect.

Verwarrend!

En net als bij die ingewikkelde werkwoordstijden, zei de meester op een dag:

‘Weet je wat? Hou het maar gewoon op je.’

Geen tijd, geen leeftijd, alles je, alles nu.