Achtergrond De vraag is: wat vind je rechtvaardig?

Oxfam Novib constateerde het vorige week en nu heeft ook Obama het erover: de groeiende kloof tussen arm en rijk is onrechtvaardig en moet verkleind worden.

Maar wat is dan wél een rechtvaardige samenleving? Het is een vraag die de mens al bezighoudt sinds hij zijn berenvel afwierp en ging filosoferen over de inrichting van de staat.

Het denken over sociale rechtvaardigheid beweegt tussen twee polen: absolute gelijkheid en absolute vrijheid. In een op volstrekte gelijkheid gebaseerde samenleving werken mensen naar vermogen en ontvangen ze naar behoefte. In een absoluut vrije maatschappij, aan de andere kant, staat er een grote beloning op succes en moeten de talentlozen het zelf uitzoeken.

Tegenwoordig is het moeilijk om iemand te vinden die een van beide modellen aanhangt. Het communisme (absolute gelijkheid) heeft zijn aantrekkingskracht na het experiment in de Sovjet-Unie verloren, en het libertaire model (absolute vrijheid), waarin er geen sociaal vangnet is, klinkt de meesten van ons barbaars in de oren.

Zoals altijd is er een gulden middenweg. Tussen de twee polen bevindt zich de sociaal-liberaal John Rawls, volgens velen de belangrijkste politiek filosoof van de tweede helft van de twintigste eeuw. In 1971 schreef hij A Theory of Justice, een politiek-theoretisch boek dat zowel liberalen als sociaaldemocraten heeft geïnspireerd.

Een van Rawls’ bekendste stellingen luidde dat sociale ongelijkheid niet erg is, mits de armsten profiteren van de groeiende rijkdom van de rijken. Dus dat de rijkste 85 mensen de helft van de welvaart bezitten, hoeft geen probleem te zijn – als de armsten er niet op achteruitgaan.

Het experiment van Rawls

Rawls baseerde zijn ideeën op een gedachte-experiment. Hierin moet een maatschappij vanuit het niets worden ontworpen. Dit wordt gedaan door mensen die zich achter een ‘sluier van onwetendheid’ bevinden: ze hebben geen kennis over hun sekse, huidskleur, talenten en sociale achtergrond. Die informatie krijgen ze pas als hun ontwerp af is (en de sluier wordt weggetrokken).

Drie jaar geleden hebben twee economen, Michael Norton van Harvard Business School en Dan Ariely van Duke University, dit experiment uitgevoerd. Ze vroegen een panel van 5.522 Amerikanen naar hun ideale welvaartsverdeling. De panelleden kregen twee cirkeldiagrammen te zien waarin de bevolking in vijf gelijke delen was verdeeld: de armste en de rijkste 20 procent, en de drie groepen daar tussenin. Ze wisten niet tot welk deel ze zelf behoorden. Het ene cirkeldiagram toonde de welvaartsverdeling in de Verenigde Staten, het andere die van Zweden; maar ook dat wisten de deelnemers niet.

Het resultaat was opzienbarend: 92 procent van de deelnemers koos het Zweedse model. In dit diagram bezat het rijkste deel van de bevolking 36 procent van de rijkdom, en het armste 11 procent. Vergelijk dit met het Amerikaanse diagram: daar ging 84 procent van de rijkdom naar het rijkste deel, en slechts 0,1 procent naar het armste deel.

Norton en Ariely eindigden hun artikel met een kanttekening: dat het panel massaal koos voor een egalitaire samenleving, wil niet zeggen dat de gemiddelde Amerikaan overeenkomstig stemt. Democratische en Republikeinse stemmers houden elkaar ongeveer in evenwicht, en de Tea Party is nog steeds populair – ook onder minder rijke mensen.

De mensen hebben geen idee

Hoe komt dit? Ten eerste hebben Amerikanen volgens Norton en Ariely geen accuraat beeld van de ongelijkheid in hun land. De panelleden moesten in het experiment ook schatten wat de werkelijke welvaartsverdeling was in de Verenigde Staten. De schattingen weken dramatisch af van de echte cijfers. Zo geloofden de panelleden dat het armste deel van de Amerikanen 11 procent van de rijkdom bezat. In werkelijkheid bezat de armste 20 procent in 2011 0,1 procent van de rijkdom.

Ten tweede hebben Amerikanen nog steeds een rooskleurig beeld van de sociale mobiliteit in hun land. Hoewel uit onderzoek blijkt dat vooral de rijkste en armste Amerikanen weinig kans maken in een andere klasse te belanden, geloven velen nog steeds in de American Dream: iedere krantenjongen kan miljonair worden, als hij maar zijn best doet.

Obama durfde het in zijn State of the Union aan deze American Dream in twijfel te trekken. Als je kijkt naar het experiment van Norton en Ariely, zou je zeggen dat hij de bevolking aan zijn zijde heeft. Zelfs 90 procent van de Republikeinse panelleden koos voor de ‘Zweedse’ welvaartsverdeling. Maar recente cijfers laten iets anders zien. Vorige week bleek uit een opiniepeiling dat slechts 45 procent van de Republikeinen vindt dat de overheid iets moet doen aan de kloof tussen de rijken en de rest.

Blijkbaar vindt de echte Amerikaan iets anders dan de burger achter de ‘sluier van onwetendheid’. Dat is niet verwonderlijk, als je erover nadenkt. De panelleden uit het experiment werden alleen geconfronteerd met cijfers en diagrammen. Maar de echte burger leeft in een echte wereld; in dit geval in een gepolariseerd land waar een egalitaire welvaartsverdeling ‘socialistisch’ wordt genoemd en waar belastingverlaging voor de rijken wordt toegejuicht onder het mom van ‘vrijheid’.

In de echte wereld worden burgers beïnvloed door politieke retoriek, angst voor profiteurs en een irrationeel optimisme over hun eigen toekomst. Mensen willen een kleinere kloof tussen arm en rijk – maar alleen in theorie.