Column

Zet Zadkine voor Rotterdam CS

De 76-jarige kunstenaar Bart van Leeuwen haalt me op in zijn oude, witte Audi. Zijn hele leven leefde hij braaf van pen en penseel, maar dezer dagen is hij de aanstichter van een fel debat over het beeld ‘de Verwoeste Stad’, van Ossip Zadkine.

Het beroemde beeld, in 1953 aan de stad geschonken door de Bijenkorf, is een gekwelde Atlas, met z’n kop achterover, dat gat in de romp, die armen wanhopig ten hemel. Symbool bij uitstek voor het weggebombardeerde stadshart, zelfs al liet Zadkine zich waarschijnlijk inspireren door Le Havre. Dit is onze bronzen Guernica. Of, op z’n lomp-liefkozende Rotterdams: ‘Jan Gat’.

Het beeld staat nu aan de Leuvehaven, op het Plein 1940. Een troosteloze tochtplek waar geen kip komt, vond Van Leeuwen. Waarom niet verplaatsen naar het gloednieuwe Stationsplein? Hij stuurde een brief aan de gemeenteraadsfracties. Nu debatteert Rotterdam over Zadkine.

In de auto op weg naar zijn huis vertelt hij over mei 1940. Hij was tweeënhalf. Hij woonde met z’n moeder in Kralingen, waar zijn vader een melkwinkel had. Toen het bombardement begon, was zijn vader aan het front in Limburg. Zijn moeder, gewond door glasscherven, vluchtte met hem onder de arm over de brandende straten. Tijdens de vlucht zag ze uit het puin twee bewegende armen steken. Iemand riep „Help! Help!” – maar ze moest dóór, haar zoontje in veiligheid brengen.

„Als ik die armen zie van Zadkines beeld”, zegt Van Leeuwen, „denk ik aan het verhaal van mijn moeder”.

Thuis zorgt zijn vrouw Corrie voor koffie en stroopwafels. De keukentafel is bezaaid met knipsels uit de regionale pers. Van ‘Zadkine verdeelt raad’ tot ‘Klauwen af van Jan Gat’. D66 en Leefbaar Rotterdam steunen zijn plan, maar VVD’er George van Gent zou zich het liefst aan het beeld vastketenen.

Van Leeuwen kent de kritiek. Dat de kunstenaar en schenker de huidige locatie als eis hadden. En: dat het stationsplein nooit is gebombardeerd. Maar, pareert hij, destijds kon Zadkine niet het huidige stationsplein kiezen. Dat plein ligt bovendien net op de brandgrens van het bombardement. En er komt daar tenminste publiek. Veel nieuwe Rotterdammers kennen de geschiedenis van het bombardement niet; de 800 doden, de 80.000 daklozen, de desolate puinvlaktes.

Wacht, zegt hij dan. Even later is hij terug met een doos.

Hij pakt er een bruin boekje uit, formaat ansichtkaart. ‘3e regiment infanterie’, staat er. En: ‘Van Leeuwen, A.’ – het oorlogszakboekje van zijn vader. Hij opent het en wijst op minuscule dagboekaantekeningen in potlood. Over de eerste schoten, de angst. En dan, vrijdag 7 juni 1940, zijn vader is inmiddels krijgsgevangene in Duitsland: „Ben bang en bevreesd hoe het thuis is, hoor ellendige geruchten over Rotterdam, bombardementen, enz.”

Van zijn woonhuis was toen niets over.

In Rotterdam gaat de Internationale Beelden Commissie over de plaats van sculpturen. Die commissie is tegen. Van Leeuwen hoopt op een referendum. Voor hem – en vele Rotterdammers – is dit beeld geen Santa Claus, zelfs geen Erasmus. Het is een oorlogsmonument. En zo’n monument hoort op een drukke Dam. In Rotterdam is dat: het Stationsplein.