Wie nog eens wil praten zegt agur, niet adios

‘Hoe spel je jouw naam eigenlijk?’ Ik heb net een interview gehad met twee Baskische vrouwen wier mannen als ETA-militanten lange celstraffen uitzitten. De vrouwen zijn uiterst nationalistisch. Een vertelt trots dat haar oma nog is gestorven zonder castellano (Spaans) te kunnen. Beiden spreken in het dagelijks leven bijna alleen euskera (Baskisch). Het kost hen moeite Spaans te praten: regelmatig moeten ze zoeken naar woorden.

Baskisch is voor buitenstaanders nagenoeg onnavolgbaar. Wetenschappers zijn niet eens zeker waar de Basken vandaan komen, laat staan hun taal. Alleen leenwoorden uit andere talen zijn herkenbaar. Ik vertel de vrouwen dat de eerste keer dat ik ‘marmitako’ op de menukaart zag staan, ik veronderstelde dat het iets Japans was. Het is een Baskisch stoofpotje van tonijn, groente en aardappel.

Hun namen moesten ze voor mij spellen, en nu willen ze weten hoe je mijn – even onuitspreekbare – voornaam schrijft. Ik begin, zoals ik doorgaans mijn naam spel: ‘M de Madrid, E de España...’ Ik zie de vrouwen elkaar plotseling moeilijk aankijken. Madrid, Spanje: het blijken bijna scheldwoorden.

Nationalistische Basken spreken, evenals hun Catalaanse evenknieën, nimmer over ‘Spanje’. Ze hebben het over ‘el Estado español’, de Spaanse staat. Spanje als natie bestaat in hun visie niet. Hun regio’s zijn met geweld ingelijfd door een centralistisch Castilliaans staatsapparaat in Madrid.

Spreek dus niet over País Vasco, de Spaanse naam voor de autonome regio Baskenland. Gematigde nationalisten gebruiken Euskadi, de Baskische naam voor die regio, radicale nationalisten Euskal Herria. Dat is Groot-Baskenland, mét het aangrenzende Navarra en Frans-Baskenland.

Werken in Baskenland is een vocabulaire mijnenveld. Eén verkeerd woord kan de sfeer van een interview of telefoongesprek verpesten. Zeker omdat een in Madrid gevestigde journalist per definitie wordt gewantrouwd. Het verwijt is dat je berichtgeving gekleurd is, omdat je in de hoofdstad woont. De Madrileense pers indoctrineert je. Het onderwijs hersenspoelt je kinderen.

Vertrouwen win je door niet meteen op de eerste mijn te trappen. Een gesprek afsluiten met agur, Baskisch voor ajuus, wordt op prijsgesteld. In Catalonië waarderen ze het als je ‘moltes gràcies’ (veel dank) onder een mail zet. Zeker als je een accent grave gebruikt, dat in het Spaans niet voorkomt. En wil je een afspraak met een radicale nationalist, dan kan je San Sebastián beter Donostia noemen. Maar noem je de stad zo tegen de nabestaande van een slachtoffer van ETA-terreur, dan verbetert ze je juist fijntjes door de Spaanse naam te gebruiken.

Wat ook helpt, is Engels spreken. De spindoctor van de Catalaanse regiopresident Artur Mas sms’t graag in het Engels. Toen ik een interview regelde met zijn baas, bedong die dat de voertaal Engels zou zijn. Uiteindelijk vond Mas het geen punt Spaans te spreken. Maar dat Catalonië geen Spanje is, was duidelijk gemaakt.

Dat Spaans lingua franca is, stoort regionationalisten. „Als van tien kinderen op een schoolplein er negen Baskisch én Spaans spreken en één alleen Spaans, dan is de voertaal Spaans”, klaagt mijn Baskische vriendin Ainara tijdens een avondje pintxos (kleine hapjes met cocktailprikkers) eten in San Sebastián. Net als andere nationalisten vindt zij dat haar regio (of ‘land’, in haar woorden) zich tegen de sluipende castillianisering moet verzetten door het euskera positief te discrimineren.

Migranten, uit andere delen van Spanje of het buitenland, moeten de regiotaal leren. In ieder geval om een overheidsbaan te kunnen hebben. Dat is niet een verkapte manier om migranten af te schrikken, bezweert Ainara. „In Noord-Europa stellen jullie toch ook eisen aan nieuwkomers?”