Mali, een symbolische knuffelmissie

Illustratie pavel constantin

Bij de viering van 200 jaar Koninklijke Landmacht kwam het argument weer naar voren: Nederland moet een redelijk grote krijgsmacht houden om mee te kunnen doen met internationale missies. Zo blijf je een rol spelen op het internationale toneel (lees: bij belangrijke politieke benoemingen).

Het lijkt logisch: de krijgsmacht als instrument van de politiek. Maar die politieke doelstellingen staan wel heel ver af van de intenties van de missies zelf. Sinds de militaire bijdrage in Afghanistan zullen Nederlandse missies niet meer hetzelfde zijn. Het dreigen korte, symbolische knuffelmissies te worden om Nederland op de kaart van de internationale economische en politieke betrekkingen te houden.

De missie in Uruzgan was voor Nederland redelijk succesvol en werd internationaal geroemd. Nederland bokste wellicht boven zijn gewichtsklasse, maar deed weer volledig mee. Het leverde bovendien een speciale band op met de Amerikaanse inlichtingendiensten. Het probleem was niet zozeer de missie zelf, maar vooral het feit dat deze plaatsvond tijdens de grootste economische crisis van de afgelopen tachtig jaar. Daardoor was de politieke houdbaarheid zeer kort en brokkelde de steun van het Nederlandse publiek snel af. Populistische redeneringen kregen gemakkelijk voet aan de grond: waarom scholen bouwen in Afghanistan terwijl Nederland in de crisis zit? Die situatie zal de komende jaren niet veranderen, zelfs niet bij economisch herstel.

Nederlanders konden met Uruzgan vertrouwd raken als de dertiende provincie van hun land. Omroep BNN maakte er programma’s, Jan Smit trad op voor Nederlandse militairen en Giel Beelen presenteerde vijf dagen een radioprogramma vanuit Kamp Holland. Kijkers en luisteraars genoten er wellicht van, maar zonder veel te snappen van de missie zelf. Daarin schuilt het tweede probleem van internationale missies: ze zijn moeilijk uit te leggen aan een breed publiek en moeten zowel op straat als in de Tweede Kamer op een bepaalde manier verkocht worden. Dat leidde in het geval van Uruzgan tot mooie verhalen over een opbouwmissie. In Kunduz werd het veilig politieagenten opleiden tot succesvolle buurtagenten die de Afghaanse burger bijstaan.

De Nederlandse missie in het riskante Mali gaat officieel vooral om het vergaren van inlichtingen, het bijstaan van de Malinese politie en het versterken van de rechtsorde. Dat klinkt beter dan hevige vuurgevechten met rebellen of terroristen – uiteindelijk een belangrijk onderdeel van de missie in Uruzgan. De boodschap aan onze buitenlandse partners is dat Nederland weer volop meedoet bij een belangrijke VN-missie. De boodschap aan de Nederlandse burger is dat de steun in Mali de veiligheid in Nederland vergroot. Het angstbeeld van terroristische aanslagen in ons land wordt door de politiek op onverantwoordelijke wijze uitvergroot.

Het is moeilijk te voorspellen welke richting de nieuwe missie op zal gaan en hoe de situatie zich in Mali zal ontwikkelen de komende maanden. Wel is nu al te voorzien dat Mali een knuffelmissie zal worden. De populaire Nederlandse media zullen de ‘achtertuin’ van Nederland op allerlei manieren toegankelijk willen maken voor een breed publiek. BNN en populaire radio-dj’s zullen de Nederlandse soldaten weer snel achterna reizen. Het Nederlandse publiek zal wederom echter de aandacht maar kort vast kunnen houden.

Wie heeft het in Nederland nu nog over Uruzgan of Kunduz? Bij het minste of geringste incident zal de kritiek op de missie in Mali toenemen en de steun afnemen. De Nederlandse regering zal tegen die tijd hopen weer zo snel mogelijk (en zonder al te veel kleerscheuren) van een missie af te komen die vooral bedoeld is om internationale goodwill te kweken.