Icoon van extreem-rechts bleef Franco trouw

De rechterarm gestrekt omhoog, zijn linkerarm steunend op een wandelstok en omringd door een bont gezelschap van oudere dames in bontjassen en opgeschoten jongens in bomberjacks. Elke twintigste november was Blas Piñar López het middelpunt bij de herdenking van de sterfdag van zijn grote politieke voorbeeld: Francisco Franco. Als icoon van extreem-rechts in Spanje bleef Piñar tot aan zijn dood – gisteren op 95-jarige leeftijd – diens gedachtegoed verdedigen.

Met Piñar, hoge ambtenaar en ideoloog onder Franco, verliest Spanje een politicus die ongewild een bijrol speelde bij het bestendigen van de democratie. Hij verzette zich in de transitieperiode na Franco’s dood, in 1975, vergeefs tegen invoering van politieke hervormingen. Met die mislukte poging om Franco’s falangistische beweging levend te houden, onderstreepte hij juist dat terugkeer naar de dictatuur was afgesloten.

Bij de eerste democratische verkiezingen van 1979 haalde Piñar 372.000 stemmen. Genoeg voor een parlementszetel. Hij gebruikte deze om, in de geest van Franco gepassioneerd te pleiten voor één groot, katholiek Spanje. Hij verzette zich tegen de autonomie die regio’s als Catalonië kregen toebedeeld. En hij bepleitte dat de kerk net zo machtig bleef als tijdens de dictatuur.

Bij de daaropvolgende stembusgang, in ’82, verloor zijn Fuerza Nueva de zetel alweer. Ondanks meerdere wisselingen van partijnamen, een gooi naar een zetel in het Europees Parlement en samenwerking met zijn Franse geestverwant Jean-Marie Le Pen werd hij nooit meer volksvertegenwoordiger. Hij verwerd tot een historisch curiosum – alleen marginale blaadjes namen zijn artikelen nog af. Zijn betogingen, bijvoorbeeld tegen godslasterend theater, trokken maar enkele tientallen aanhangers.

Maar Piñars neergang betekent niet dat extreem-rechts geen bestaansrecht had of heeft in Spanje. Zijn missie faalde vooral doordat hij de strijd om de oerconservatieve, ultrakatholieke kiezer verloor van Manuel Fraga en diens Alianza Popular (AP). Fraga, minister onder Franco, overtuigde dit deel van het electoraat dat het moest opgaan in een brede rechtse volkspartij die kans maakte op macht.

Piñar, zoon van een militair uit Franco’s leger, vond dit verraad van zijn idealen. „Hij zag zich als patriot, als verdediger van de traditie en het nationalistisch kamp. In tegenstelling tot anderen, zoals Fraga, paste hij zich niet aan aan het nieuwe regime”, legde een kleinzoon gisteren uit in El País. Maar Fraga’s inzicht bleek juist. In 1994 veroverde de Volkspartij (PP), opvolger van de AP, voor het eerst de macht en regeerde acht jaar. Sinds 2011 regeert de partij opnieuw.

Voor de PP blijft het lastig een brede groep kiezers te paaien, van liberalen in het centrum tot geestverwanten van Piñar op uiterst rechts. Momenteel veroorzaakt het plan van PP-premier Rajoy voor een strengere abortuswet interne verdeeldheid. Bedreigend is ook de oprichting, deze maand, van de partij Vox door oud-kopstukken van de rechtse vleugel. Zij menen dat Rajoy niet hard genoeg optreedt tegen de afscheidingsdrift van Catalonië en Baskenland. Een sentiment dat breed leeft in rechtse kringen.