Een romanticus en crowdpleaser

Het eerste bruidspaar (Lieke van Lexmond en Diederik Ebbinge) arriveert inToscaanse bruiloft

Al vijftien jaar bepaalt Johan Nijenhuis het gezicht van de Nederlandse publieksfilm. Nijenhuis (Markelo, 1968) groeide op met de blockbusters die hij op regenachtige zomerdagen op de racefiets van zijn broer uit de videotheek in Deventer haalde. „Toen ik vanuit de provincie naar de Filmacademie in Amsterdam ging, was arthouse voor mij iets nieuws. Maar het omgekeerde was ook het geval. Toen ik in het vierde jaar zat zei iemand: ‘Ik was gisteravond in City bij Three Men and a Baby, ben je daar wel eens geweest?’ ‘Ja’, zei ik, ‘daar zitten wij wekelijks.’ En zij weer: ‘Maar dat was een heel volle zaal, met complete gezinnen. En die zaten allemaal hardop te lachen.’”

Dus daar koos u voor?

„Ik hou van alle middelen die de cinema te bieden heeft. Van verhaal en spel en fotografie en muziek. Als dat heel subtiel wordt ingezet, dan is voor mij de bioscoopervaring dunnetjes. Moet ik kiezen tussen verstilling en bombast, dan ga ik liever voor bombast.”

U bent na de Filmacademie verder geschoold bij de commerciële televisie. En toen kwam u in 2001 met ‘Costa!’

„Dat was de film die ik toen ik 29 was kon maken. Tell ’em what you know. Ik had twee zomers lang tussen die proppers gezeten. Ik had op mijn 29ste geen film kunnen maken over een concertviolist die teleurgesteld is in het leven. Maar ik wist wel een hele hoop over jongens aan de Spaanse kust die zoveel mogelijk meisjes willen versieren. Dat was de film die ik zelf graag op mijn zestiende had willen zien. En het bleek een keerpunt. Vanaf dat moment werd het publiek voor de Nederlandse film herontdekt.”

Is het publiek belangrijk voor u?

„Ja. Ik maak publieksfilms. Dus de legitimatie van zo’n film is of het publiek het leuk heeft gevonden. De eerste jaren na Costa! was het aftasten wat een publieksfilm nou precies was. Nu is de situatie duidelijker. Als je zegt dat je een publieksfilm maakt, en je krijgt daar geld voor van het Filmfonds en het Suppletiefonds, dan mag je daar ook op afgerekend worden. En aan de andere kant van de scheidslijn mag de arthousefilm beoordeeld worden op de terreinen waar een arthousefilm succes hoort te hebben: festivals, recensies, prijzen.”

Hoe weet je wie het publiek is?

„Ik denk dat je ze moet kennen. Want anders tast je in het duister. Het is een verschil of je een film maakt voor je broer of voor je moeder. Klaas de Jong, met wie ik Toscaanse bruiloft heb geproduceerd, komt uit Friesland en ik heb mijn roots in Twente liggen. En het is ons wel duidelijk dat het niet in de eerste plaats een film voor de drie grote steden is. Het is vooral een film voor de rest van Nederland.”

Hoe bedoelt u dat?

„Een film voor de drie grote steden moet progressief zijn. Daar zitten veel studenten, en weinig gezinnen. Ik heb wel op mijn netvlies wie mijn publiek is, omdat ik die mensen ken en spreek.

„Ik wil dat mijn films entertaining zijn, vermakelijk en luxe. Waar je als filmliefhebber pur sang een film kan waarderen om puur cameravoering of verstild spel, weet ik dat bij Toscaanse bruiloft het eerste wat de mensen die naar buiten komen zullen zeggen is: ‘Die jurken! Wat vond je daarvan?’ Dat is wat een avondje uit naar een bruiloftsfilm moet betekenen. Ik ben natuurlijk een crowdpleasende regisseur en een romanticus. Ik wil niet dat mensen met een rotgevoel naar buiten komen.”

Hoe realistisch moet het zijn? Bij ‘Toscaanse bruiloft’ kun je denken: ‘Hoeveel mensen rijden op een winteravond naar Toscane om iemand de liefde te verklaren?’

„Oetlullen die we zijn doen we het tegenwoordig af met een sms’je. En als ze dan niet reageert, gooien we de handdoek in de ring. Filmisch heb ik daar niets aan, en het publiek weet dat het romantische fantasieën zijn. En toch is de werkelijkheid in Nederland: eerst maar eens kinderen krijgen en dan kijken we wel of we gaan trouwen. In Toscaanse bruiloft gaan mannen en vrouwen inderdaad traditioneel met elkaar om. Maar ik ken geen enkele vrouw die haar man ten huwelijk heeft gevraagd. Wel vrouwen die erop aan hebben gestuurd.”

In de geschiedenis van de romantische komedie werd altijd ‘the battle of the sexes’ op het witte doek uitgevochten. Kan dat nu niet meer?

„Daar ligt in elke film weer een uitdaging. Ik ben in deze film meer uitgegaan van de Nederlandse man zoal ik hem ken. Met complete bindingsangst. En vrouwen die dat maar toelaten. En die in het kader van de seksuele bevrijding ook maar zelf mannen kiezen voor in bed.

„Uit gesprekken met heel veel vrouwen hoor je dan dat ze stiekem op meer hopen, maar dat gevoel wegstoppen. Dus op het moment dat Sanne zegt dat ze geen zin heeft om een ‘drietje’ te worden (iemand die na drie keer seks – verovering, omdat het kan en afscheid – wordt afgedankt), dan vinden wij dat in de context van deze film eigenlijk bijna progressief.”