Een eenzaam en deerniswekkend creatuur

‘It’s alive!” kraait Dr. Frankenstein als hij ziet dat het monster dat hij zojuist leven ingeblazen heeft zijn vinger beweegt. De wetenschapper maakt het monster uit delen van lijken die hij uit graven steelt, aan elkaar naait en van een brein voorziet. Een brein dat vroeger aan een crimineel toebehoorde, een foutje van zijn assistent dat Frankenstein duur komt te staan als het monster zich tegen zijn maker keert.

Het befaamde ‘it’s alive’ uit Frankenstein (1931) keert in een andere context terug in I, Frankenstein. Deze ridicule horrorfilm is echter niet gebaseerd op Mary Shelleys bijna twee eeuwen oude gothic novel uit 1818, maar op een graphic novel van voormalig acteur Kevin Grevioux (Underworld), de zoveelste update van de Frankensteinmythe.

Mary Shelley schreef het boek op 18-jarige leeftijd in de Zwitserse villa van Lord Byron, waar zij met haar geliefde Percy Shelley verbleef. Het weer was die zomer slecht en uit verveling begonnen ze elkaar spookverhalen voor te lezen, waarna Byron voorstelde dat zij zelf ook een spookverhaal zouden schrijven. Zo werden die zomer twee latere filmmonsters geboren: Byrons arts Polidori schreef The Vampyre, dat Bram Stoker later aanzette tot het schrijven van Dracula, en Shelley bedacht Victor Frankenstein en diens naamloze monster.

Shelleys boek is een waarschuwing aan de mens om niet voor God te spelen en wetenschap te misbruiken voor eigen glorie, een boodschap die bleef resoneren – het aantal Frankenstein-adaptaties is eindeloos. Maar de beroemdste is de versie uit 1931, met Boris Karloff. Wie aan het monster denkt, ziet de grommende Karloff voor zich met vierkant voorhoofd, elektroden in zijn nek, geloken ogen en slepende tred. Hij is een groteske outcast die zowel angst als medelijden wekt. De bewaker die hem treitert, de meute boeren die hem met fakkels en hooivorken achtervolgt: zij hebben hem tot monster gemaakt.

Over de relatie tussen de openlijk homoseksuele regisseur James Whale en zijn monster is menig cultuurstudie geschreven én een film gemaakt, Gods and Monsters (1998). Whale deed het dunnetjes over in The Bride of Frankenstein (1935), waar het monster zelfs door zijn monstervrouw wordt afgewezen. Een eenzaam en deerniswekkend figuur dus, die nog zeven mindere vervolgfilms kreeg alvorens hij afdaalde richting parodie in films als Abbott and Costello Meet Frankenstein (1948) of Tim Burtons hommage Frankenweenie (2012).

Het is moeilijk het monster nog serieus te nemen, zoals in The Curse of Frankenstein (1957), waar Frankenstein een nare ‘mad scientist’ is en het monster het vleesgeworden kwaad. Whale en Karloff hebben hem te diep in het bewustzijn verankerd als onbegrepen stakker om nog naar de bron terug te kunnen keren, zoals Kenneth Branagh in zijn hysterische versie van 1994 probeerde. Laat staan hem tot een superheld met sixpack op te waarderen, zoals in de potsierlijke vrije bewerking I, Frankenstein, die sterft in stupide dialogen, zwak acteren en lelijk geënsceneerde actie.