De beste films die nooit zijn gemaakt

Aan de lange, denkbeeldige geschiedenis van niet-gemaakte films kon er onlangs weer één worden toegevoegd. Quentin Tarantino is zo boos en teleurgesteld dat het script uitlekte voor zijn geplande nieuwe western The Hateful Eight, dat hij de film in ieder geval voorlopig in de ijskast heeft gezet. Waarschijnlijk zal de film nimmer te zien zijn „in big super cinemascope 70mm filmed gloriousness”, zoals een opgewonden notitie in het script luidt. Hoe zou ‘Minnie’s Haberdashery’ eruit hebben gezien, een winkeltje in het Wilde Westen, waar de film liefst een half uur zou verblijven? Niemand die het ooit zal weten.

Weer een nieuwe what-if-film erbij. Een kleine tak van de geschiedswetenschap houdt zich bezig met if-history – ook wel: counterfactual history of virtual history – oftewel: de vraag wat er zou zijn gebeurd als de geschiedenis net anders was gelopen. Wat als John F. Kennedy de aanslag in Dallas van 22 november 1963 had overleefd? Wat als Hitler tijdens de Tweede Wereldoorlog een invasie van Engeland tot stand had weten te brengen, of Stalin had weten te verslaan?

Natuurlijk zijn er ook talloze romans en films met verhalen waarin de geschiedenis een andere wending neemt dan in werkelijkheid – de behoefte om alternatieve scenario’s te bedenken zit diep ingebakken bij de mens. Denk aan Inglourious Basterds, van diezelfde Tarantino, waarin de voltallige nazitop omkomt in een vlammenzee in een Parijse bioscoop. Maar zo’n virtueel gedachtenexperiment hoeft niet per se onzinnig te zijn. Wie het serieus aanpakt krijgt een scherper beeld van factoren die wél de doorslag hebben gegeven in de loop van de geschiedenis.

Ook de geschiedenis van film zelf zit vol met zulke ‘wat als’-momenten, die de historie net de andere kant op hadden kunnen duwen. Britse filmjournalisten zetten in The Greatest Movies You’ll never see. Unseen Masterpieces by the World’s Greatest Directors de meest tot de verbeelding sprekende nooit-gerealiseerde of nimmer voltooide filmplannen op een rij. Veel van deze hopeloze ondernemingen, visionaire vergezichten en megalomane dromen van al voor de finish gestruikelde filmmakers, hebben grote invloed gehad op de films die ze wèl hebben gemaakt. Regisseur Terry Gilliam, die een lange reeks voortijdig gestrande projecten achter zijn naam heeft staan – waaronder zijn gedoemde poging Cervantes’ Don Quichot te verfilmen, waarover de fameuze documentaire Lost in La Mancha is gemaakt – heeft er vrede mee. Gilliam: „Ik denk soms dat die films voorbestemd zijn om niet te worden gemaakt. Het zijn oefeningen tussen je echte films door. Je buigt je over ideeën en personages die je later voor andere films kunt gebruiken.”

Psychologische blokkades

De absolute kampioenen als het gaat om nooit voltooide projecten, zijn Stanley Kubrick en Orson Welles. Maar om uiteenlopende redenen. Bij Kubrick zat zijn maniakale precisie in de weg; bij Welles meer zijn chaotische levenswandel, en wellicht ook psychologische blokkades, die hem verhinderden een film af te maken.

Van al zijn niet-gemaakte filmprojecten stak Kubrick de meeste tijd en energie in een film over Napoleon, „an epic poem of action”, die het hele leven van de zelfgekroonde keizer van Frankrijk zou moeten omvatten. Kubrick verzamelde 500 boeken over Napoleon, liet legeruniformen ontwerpen van papier voor de duizenden figuranten. Hij liet zelfs een grondspecimen halen van Waterloo om de juiste kleur van de aarde op het slagveld vast te stellen. Maar geen studio durfde het uiteindelijk aan, nadat een aantal andere films over Napoleon in korte tijd waren geflopt. Inmiddels heeft Steven Spielberg aangekondigd het script van Kubrick te willen afstoffen voor een miniserie op HBO.

Een Napoleonfilm was ook dertig jaar de grote droom van Charlie Chaplin. In Chaplins versie zou Napoleon ontsnappen van zijn verbanningsoord Sint Helena, en daar een dubbelganger achterlaten. Incognito zou hij een boekenstalletje beginnen langs de Seine. Op het moment dat de nepkeizer met veel vlagvertoon wordt begraven, staat de echte Napoleon gewoon achter zijn boekenkraam. Die film kwam er nooit, maar het idee van een dictator en zijn dubbelganger die elkaars plaats innemen zou Chaplin gebruiken voor The Great Dictator (1940), waarin een joodse kapper verwisseld wordt met dictator ‘Hynkel’.

Heel symbolisch: de onderwerpen Napoleon en Don Quichot hebben tot de meeste gestrande filmprojecten geleid. Behalve Gilliam hebben ook Sergio Leone en Orson Welles gepoogd de ridder die op windmolens jaagt tot leven te wekken. Zonder succes. Welles’ idee was om de ridder door de moderne wereld te laten ronddwalen en een bezoek te laten brengen aan de bioscoop. Af en aan werkte hij van 1957 tot 1972 aan de film, die nooit af kwam, mede doordat cruciale acteurs in de tussentijd overleden. In The Greatest Movies You’ll Never See is Welles verder vertegenwoordigd met onvoltooiden als The Cradle Will Rock, The Other Side of the Wind, The Merchant of Venice, The Deep en It’s All True. Al die gestrande projecten hebben zijn reputatie geen kwaad gedaan. Integendeel, ze dragen bij aan zijn aura van miskend genie.

Giraffen met gasmaskers

Nog een fraai wat als-moment vond plaats in 1937. Toen benaderde de surrealistische schilder Salvador Dalí de Marx Brothers met een filmscenario: Giraffes on Horseback Salads. Dalí was een groot bewonderaar van Harpo Marx, die hij had ontmoet op een feestje in Parijs. Zoals meer surrealisten zag hij in de anarchistische slapstick van populaire filmkomieken een natuurlijke bondgenoot van het surrealisme. In Dalís plotloze script draven brandende giraffen rond met gasmaskers op, Harpo zou lilliputters moeten vangen met een enorm vlindernet, en Groucho tientallen telefoons tegelijkertijd aannemen met meerdere armen. „Too surreal” luidde – weinig verrassend – het negatieve oordeel van Louis B. Mayer, de baas van MGM. Daarmee was de kous af. Dalí kwam in Hollywood niet verder dan het ontwerpen van droomsequenties voor Spellbound (1945) van Hitchcock en Father of the Bride (1950) van Vincente Minnelli.

Meest treurig zijn de gesneefde plannen van grote meesters. Die kunnen weliswaar hun kleinschalige films van de grond tillen, maar vaak niet hun heel grote projecten waarvoor ze een heel nieuwe wereld moeten ontwerpen. Francis Ford Coppola droomde twintig jaar lang van Megalopolis, een saga over een alcoholische architect die in New York een nieuwe utopische gemeenschap wil stichten, enigszins in de geest van The Fountainhead van Ayn Rand. Coppola zou zo’n dertig uur testmateriaal geschoten hebben voor zijn enorme onderneming, ook het storyboard is klaar, maar geen enkele financier hapte.

Iets vergelijkbaars geldt voor Ronnie Rocket van David Lynch, ook zo’n grootschalig, futuristisch project, dat Lynch bijna zijn hele carrière meetorst. Het scenario begint met een beeld van een gigantisch theater: „Het hele podium is gevuld met een muur van vuur, zestig meter hoog. In het vuur zijn duizenden zielen te zien die in stilte schreeuwen. Alleen geluid van razend vuur.”

De film gaat over een detective die ronddwaalt in een lugubere wereld waar ‘goede elektriciteit’ en ‘slechte elektriciteit’ elkaar bestrijden. Hij moet een zaak oplossen en stuit op bizarre taferelen, onder meer een rockband die niet alleen op elektrische instrumenten speelt, maar zelf onder stroom staat. „Ik wil een tijdje naar die wereld gaan, en daar echt leven”, zei Lynch. „En dat kost geld.” Voor film geldt helaas: de kunst is klein en het vermaak is groot. Als filmmakers als Lynch en Coppola de budgetten zouden kunnen rondkrijgen waar de gemiddelde stripverfilming routineus over beschikt, hoe zou de filmhistorie er dan uit hebben kunnen zien?