Column

Bergman bewonderd

Merkwaardige man, die Lars von Trier, de Deense filmer. Hij gaat al tot seksuele ontboezemingen over, nog voordat iemand hem iets gevraagd heeft. Ik zag hem onlangs op het International Film Festival Rotterdam in de documentaire Trespassing Bergman over regisseur Ingmar Bergman. Daarin is Von Trier een van de regisseurs die hun mening over Bergman geven.

De filmers werden geïnterviewd op Fårö, het afgelegen eilandje voor de Zweedse kust waar Bergman het laatste deel van zijn leven in eenzaamheid doorbracht. Von Trier zit in de werkkamer van Bergman en kraait opgewonden: „Zijn pik was een groot probleem voor Bergman. Hij bleef geil toen hij ouder werd.” Von Trier kijkt om zich heen en voegt eraan toe: „Dus hier moet hij veel hebben zitten masturberen.” Want volgens Von Trier doen bekende mensen dat ook: zowel poepen als masturberen. Hij keek erbij alsof hij verwachtte dat deze onthulling ons zou shockeren, maar er werd in Rotterdam alleen een beetje gelachen. Ze zijn daar wel wat gewend – elk jaar weer al die filmkunstenaars.

Voor Von Trier was Bergman een filmgod, zijn grote voorbeeld – net als voor al die andere geïnterviewde regisseurs, zoals Allen, Coppola, Scorsese en Haneke. Maar het was bij Von Trier een gefnuikte liefde, want Bergman had hem nooit zien staan.

Alle bewonderende briefjes van Von Trier liet Bergman onbeantwoord. Maar wél belde Bergman een uur lang met Thomas Vinterberg, de regisseur van Festen en Von Triers grootste binnenlandse concurrent. Von Trier vertelde het nog steeds met een spijtige grimlach, al voegde hij er wel aan toe – en dat pleitte dan weer voor hem – dat het zijn bewondering niet had aangetast. Toch had hij als enige inhoudelijk kritiek op Bergman: hij vond bijvoorbeeld diens Fanny en Alexander te veel gericht op een breed publiek.

De bewondering van de andere collega’s klonk wel onvoorwaardelijk. Zij erkenden voluit dat Bergman hun leven als regisseur had bepaald. Eén film, hun eerste ‘Bergman’, was doorgaans genoeg: zó kon het ook, sterker nog: zó moest het voortaan. Martin Scorsese: „Hij gaf je het gevoel dat alles mogelijk was. Een grootse inspiratiebron die voorging in het spirituele en transcendentale debat.”

Het huis van Bergman, een langgerekte, afwerende constructie, omringd door een muur, bleek nog helemaal intact – inclusief het interieur. Hynek Pallas, een van de Zweedse makers van deze documentaire, vertelde ons na afloop dat Bergman alles nauwkeurig in oude staat had gehouden – tot en met de kamer van zijn overleden vrouw. Het had Pallas een „griezelig gevoel” gegeven. Claire Denis, de Franse regisseuse, had daar ook last van: zij vond het huis „te intiem” en ontvluchtte het zo snel ze kon.

De bewonderende voyeur in mij kon er alleen maar gefascineerd naar kijken: de wanden met videobanden (Bergman zag elke dag een film, vertelde hij aan Allen), de inkervingen in een houten wand met hartjes en jaartallen, waarvan 1955 ruw was doorgestreept. Waarom 1955? De film gaf geen antwoord.

In zijn autobiografie Laterna Magica vind ik een aanwijzing. In dat jaar werd hij ernstig ziek in een ziekenhuis opgenomen. Men vermoedde kanker. Maar hij herstelde en constateerde dat zijn klachten psychosomatisch waren. „Voor mij was dat een revolutionaire ontdekking”, zei Bergman tegen zijn biograaf Mickael Timm, „maar dat inzicht heeft mijn klachten niet doen afnemen.”