Team Obama verfijnde kiezersprofiel steeds verder

In Amerikaanse verkiezingscampagnes is het al jarenlang gewoon: microtargeting. Aan het onderzoeken, combineren en inzetten van grote databestanden om kiezers en potentiële kiezers in kaart te brengen, worden honderdduizenden dollars besteed.

Al in 1897 had presidentskandidaat William Jennings Bryan 200.000 indexkaartjes met namen van kiezers, maar pas in 2004 bij de herverkiezing van George Bush, begonnen campaigners, om naar analogie van commerciële klanteninformatie, kiezersgroepen nauwkeurig in kaart te brengen. Democraten voegden er in 2006 methodes uit de sociale wetenschap aan toe. Maar het bleef bij het beschrijven van kiezers als representanten van groepen, afkomstig uit demografische, financiële en culturele lagen van de bevolking, hoe verfijnd ook gedefinieerd.

Dit veranderde met het aantreden van een team van bijna 100 datawetenschappers, analisten en hackers in het campagneteam van Barack Obama in 2009. Zij bleken in staat, onder meer door kiezers via Facebook cruciale informatie te ontfutselen, precies uit te vissen waar potentiële kiezers zaten en hoe die benaderd wilden worden. Door gebruik te maken van informatie over wat mensen keken op hun digitale tv's, kon het team Obama gerichter adverteren; zo spaarde het veel geld uit. Door scores van de meest actieve vrijwilligers bij te houden maakten ze van campagnevoeren een spelletje en kregen ze informatie over wat werkte en wat niet. Ook lieten voormalige hackers als Harper Reed resultaten van telefonische interviews en antwoorden op e-mails weer invoeren in de databases, en vergelijken met gegevens over consumentengedrag en data uit eerdere campagnes. Zo werden kiezersprofielen steeds geactualiseerd en verfijnd.