Flyeren in dorpen heeft voor ons wèl zin

„Vet”, dacht de jonge, lokale campagneleider toen hij hoorde over het informatiemodel van bestuurskundige Joost Smits. Hij kocht adreslijsten en postcodekaarten in bij Smits en de Politieke Academie, en hij past zijn campagne er nu op aan.

Hoe?

Dat wil hij alleen anoniem vertellen. Het strategische voordeel in zijn stad (meer dan 100.000 inwoners) wil hij niet kwijt. Dus naam, partij en plaatsnaam niet in de krant, s.v.p. „Vergelijk het met de Formule 1. Onze raceauto heeft nu een nieuw, aerodynamisch vleugeltje waar de concurrentie nog geen weet van heeft.”

De campagneleider ontvangt in de fractieruimte. Een partijvrijwilliger zit al klaar achter de laptop, de campagneleider neemt naast hem plaats en zegt: „Onze stad is grofweg te verdelen in noord en zuid. Zuid, daar zitten onze kiezers. In noord nauwelijks, zo bleek uit de uitslagen per stembureau.”

De meeste kandidaat-raadsleden van de partij wilden bij eerdere campagnes dan ook liever niet naar noord. Ze hadden geen trek in dichte voordeuren en scheldkanonnades. „Het enige dat we deden in noord, was flyeren bij het winkelcentrum. Een groot winkelcentrum, met veel bezoekers.”

Dat winkelcentrum zal de partij nu juist mijden. Uit de kaarten van Smits blijkt dat het kiezersprofiel rond dat winkelcentrum niet overeenkomt met de partij. Daar valt écht niets te halen.

„Maar kijk eens hier, verder naar noordwest”, zegt de partijvrijwilliger. „Als je kunt inzoomen, wordt het ineens interessant.” Op het scherm verschijnen straten met kleine, paarse blokjes. Paars wil zeggen: bij deze stembureaus scoorde de partij niet bijster goed, maar de kiezers die er zijn, wonen waarschijnlijk in die specifieke straten. „En dat klopt eigenlijk wel”, zegt de vrijwilliger. „Ik ben taxichauffeur en rijd daar weleens rond.” Juist in die straten staan huizen die ook in zuid staan. De campagneleider: „Misschien wisten we dat eerder ook wel. Maar we deden er niets mee. Nu krijgen we het voorgeschoteld, in hapklare brokken. En statistisch onderbouwd.” De partij instrueert haar mensen dus om naar die straten te gaan. „Ze krijgen een plattegrondje mee, met in paars potlood een streep langs de juiste straten. Om daar eens ons gezicht te laten zien.”

De partij kan nu ook zien waar waarschijnlijk hun kiezers zitten in de dorpen die niet lang geleden aan de stad zijn toegevoegd. „Voorheen zagen we de dorpen als wingebied voor de lokale partijen”, zegt de campagneleider. „Maar er blijken ook daar behoorlijk grote enclaves met ons kiezersprofiel te zitten.” Reden, zegt hij, om de „stadsbrede” campagne daar los te laten. „We hebben nu een slogan voor de stad als geheel. Maar de dorpen hebben hun eigen gemeenschap, hun eigen sentiment. Nu die ineens interessant blijken, moeten we onze slogans daar misschien wel op aanpassen, dorp voor dorp.” De campagneleider fantaseert ook al over direct marketing, over „partijberichten” die hij „gericht in brievenbussen” kan „stoppen”. Maar het is geen fantasie: „Dit biedt voor Nederland ongekende mogelijkheden.”