Een gedateerde visie op poëzie

Bij de jaarlijkse VSB Poeziëprijs hoort dat critici de vijf genomineerde bundels naast elkaar leggen en aangeven wie zij denken dat de winnaar is. Verschillen en overeenkomsten worden aan de lezers voorgelegd, en over het algemeen zijn deze kritische stukken uitnodigend en informerend. Zo niet het stuk dat Arie van den Berg vrijdag in NRC Boeken publiceerde (Dit is holle retoriek). Volgens hem zijn de dit jaar genomineerde bundels niet de moeite waard, met uitzondering van Jaja de oerknal van Maria Barnas.

Over retoriek gesproken – dit schrijft hij: „De andere vier hoorden voor NRC-recensenten niet tot de beste of boeiendste bundels uit de selectieperiode”, om vervolgens vanuit een ik-positie te onthullen wat hemzelf niet bevalt aan de bundels. Het komt erop neer dat hij vindt dat drie dichters zich niet genoeg vernieuwden en deden wat ze eerder en beter hadden gedaan. Dat is geen overtuigend argument als we bedenken dat veel grote schrijvers en dichters hun hele oeuvre aan zelfde thema’s, ideeën, of manieren van schrijven werken; zie Seamus Heaney, Tomas Tranströmer of Martinus Nijhoff.

„Deze oordelen zijn ingegeven door smaak” schrijft Van den Berg. Hij impliceert dat de NRC-recensenten hun eigen smaak hebben laten gelden, die kennelijk een andere is dan die van de jury. En dan gaat het mis. De jury had geen eigen smaak, nee, ze „ging systematisch te werk” en heeft volgens de criticus geprobeerd een opening te bieden uit het spanningsveld tussen „de allerindividueelste expressie” (Kloos) en de „kopieerlust des dagelijksen leven” (Potgieter). De jury impliceert met deze voorbeelden „dat er niets meer gebeurde” sinds de negentiende eeuw en „dat is natuurlijk absolute onzin”. Inderdaad is het onzin dit te veronderstellen, en nog onzinniger is het dit aan de jury toe te schrijven of uit het juryrapport op te maken.

Van den Berg heeft geen smaakorgaan voor wat de jury opdient: poëzie die geëngageerd is en aan de wereld appelleert. Als gedichten maatschappelijk worden, zijn ze geen kunst meer maar worden ze cultuur, is de absurde redenering. Dit is een gedateerde visie op de dichtkunst. Dat een dergelijke ‘smaak’ opgevoerd wordt om de systematiek van de jury te bekritiseren, lijkt ons geen goede zaak. Los daarvan is het een slechte, want eenduidige benadering van poëzie. Van den Berg acht „drie van de vijf” juryleden niet capabel als „gids in dichtersland”. Dat kunnen Ahmed Aboutaleb, Joep Leerssen en Jan Rock in hun zak steken. Zij zijn geen „vaklui” , wat betekent dat zij niet de smaak van de criticus delen, dat zij in de samenleving staan, en een poëzie waarderen die daar op reageert.

De dichters staan midden in de wereld, maar de criticus heeft zich in een ivoren toren verschanst.