Dit is de prins van de Franse jazzscene

Ibrahim Maalouf op North Sea Jazz. Foto: Andreas Terlaak

Melodramatisch is de muziek die hij componeerde voor de net verschenen Franse film YSL, over modeontwerper Yves Saint Laurent. Op zijn huidige cd Illusions klinkt stevige jazzrock en funk. Terwijl zijn cd Wind juist weer deed denken aan de muziek van Miles Davis bij de film Ascenseur pour l’échafaud, met zachte geblazen lijnen.

De Frans-Libanese trompettist en componist Ibrahim Maalouf (33) is de prins van de Franse jazzscene, wiens naam steeds meer buiten de eigen landsgrenzen valt. Niet alleen is hij een indringende speler, hij is ook een eclectische stijlmenger die de sfeer en schoonheid van zijn geboorteland Libanon vangt op zijn trompet, middels een extra ventiel voor mystieke Arabische kwarttonen. Op het North Sea Jazz afgelopen zomer was het schitterend hoe de trompettist notenslierten liet wiegen als slangen in een mandje. Maar hij toonde ook branie in zijn spel met zijn kwintet.

Dit vierde trompetventiel is een uitvinding van zijn vader, trompettist Nassim Maalouf. „Jaren heb ik gezocht naar een trompetbouwer die mijn vaders vondst serieus zou nemen”, vertelt Maalouf in zijn woonplaats Parijs. „Niet door simpelweg een extra buis toe te voegen aan een bestaande trompet. Maar door hem te integreren in het hele ontwerp, zodat sound en techniek gelijk aan elkaar zijn en meteen reflecteren wat ik wil zeggen.”

In zijn muziek kruist zijn oosterse achtergrond zijn westerse thuis. Het is jazz die wiegt en meevoert. Maar hij waakt voor een politiek correct patchwork van jazz. „Ik vertel de musici niet welke noten ze moeten spelen om precies het juiste rijgwerkje te bereiken. Het gaat erom wat eruit komt. En ik blaas wat in mij opkomt. Met het extra ventiel kan ik een natuurlijk accent leggen en de Arabische muziek die ik als kind leerde toevoegen. Dat nooit te verhullen accent kleurt mijn muziek.”

Het gaat hem echter niet alleen om Arabische toonladders. Ook de frasering telt, hoe je de lucht door het instrument blaast. „Ik heb traditionele Arabische muziek leren zingen als kind. Hoe ik zing, is precies mijn accent op trompet. Het lijkt op de ochtendzang bij moslims. Ik ben zelf geen moslim, maar ik vind dat erg mooi.”

Een paar dagen voor dit gesprek in een Parijse brasserie was Maalouf nog in zijn geboorteplaats Beiroet voor familiebezoek. Dat doet hij vaak. Toen hij echter deze keer zijn hotel verliet, ontplofte honderd meter verder een bom. Later bleek dat die het leven van een oud-minister had gekost. Hij besefte weer realiseren aan welk gevaar zijn familie voortdurend wordt blootgesteld. „Het leven daar lijkt wel een videogame.” Het verlangen van de musicus naar zijn geboorteland is echter onverminderd groot. Maalouf moet vier of vijf jaar geweest zijn, schat hij, toen hij met zijn ouders de burgeroorlog in Libanon ontvluchtte en onderdak zocht in Frankrijk. „Steeds dachten we terug te keren naar een rustiger thuisland.”

Het gezin Maalouf kwam te wonen in de banlieues van Parijs, in het plaatsje Étampes op 40 kilometer van Parijs. Daar kon Maalouf slecht aarden. „Het contrast met Libanon was groot. Hoewel de bergen rondom Beiroet altijd vol zaten met militairen hebben mijn ouders zich daar altijd veiliger gevoeld dan in Frankrijk. Lang voelden zij zich vreemden.”

Op zijn recente cd Illusions onderzoekt hij tal van ‘illusies’. Op de cover poseert hij zelf als geslaagde showman in een ideale glitterwereld. „Maar ik zie de kwelling op de gezichten, zelfs op dat van mijn vierjarige dochtertje. Dit is geen idyllische wereld. Als er even geen nieuws komt uit Syrië, betekent dat niet dat er geen mensen sterven. Ik ken de harde realiteit achter oorlogen.”

Maalouf verlangde er lang naar architect te worden. Zijn droom: Libanon herbouwen. „Mijn kamer was behangen met tekeningen van grote gebouwen. Beiroet moest net zo hoog en modern worden.”

Zijn vader voorzag een muziekcarrière voor zijn zoon. Hij dwong zijn zoon tot eindeloze lessen trompet – „wat ik maar matig interessant vond, maar waardoor ik wel veel in zijn buurt kon zijn”. Er waren ook tournees waarop Ibrahim zijn vader vergezelde.

Tussen de honderden aanmeldingen voor het Conservatoire National Supérieur de Musique de Paris werd hij als jonge trompettist direct uitverkoren. Hij schreef klassieke concoursen op zijn naam en werd solist bij grote orkesten. Toch stak hem steeds één ding: „Ik won als ik precies de bladmuziek speelde. Als ik mijzelf echter echt gáf in de muziek, verloor ik. Dat werd een keerpunt, ik wilde door de muren breken.”

Maar met zijn klassieke muziekopleiding en Arabische wortels zal hij zichzelf nooit jazzmusicus noemen. Ondanks zijn improvisatie. „Impro behoort toe aan vele muzieksoorten, van blues, gospel tot ja, ook de klassieke muziek. In barokke muziek moesten organisten of luitspelers improviseren in traditionele stukken. Sterker, sinds vorig jaar leer ik jonge klassieke musici vrij improviseren op het conservatorium. Nou, het is bijna groepstherapie, maar ze laten langzaam los. Muziek zonder barrières of titels, dat vind ik nou verre van een illusie.”