D66’ers, doe niet zo elitair, word weer eens populistisch

Populisme, er rust nog altijd een onredelijk taboe op. Met name D66’ers hebben er de mond van vol. Zij geven blijk van een moreel superieure afschuw ten opzichte van het populistische discours waarin PVV-leider Geert Wilders en de zijnen zich begeven. Maar als we nog eens goed kijken naar wat het populisme nu eigenlijk inhoudt, dan zou D66 juist de eerste moeten zijn die dit begrip voor eens en altijd in de armen zal sluiten.

Er wordt in de literatuur op vele manieren getracht het populisme op een getrouwe manier te definiëren, maar over het algemeen zijn de volgende twee kenmerken hierin altijd uit op te maken. 1) Populisten stellen het ‘goede volk’ tegenover een gecorrumpeerde en slechte elite, meestal het partijestablishment, en 2) politiek zou een voortdurende expressie moeten zijn van de ‘volkswil’ (Cas Mudde, 2004).

Het voert te ver om het als apart punt te vermelden, maar charismatisch leiderschap komt vaak voor bij populistische partijen; denk aan Pim Fortuyn, Geert Wilders, of zo’n Nigel Farage van de Engelse nationalisten in het Europees Parlement.

Nu zal er weinig pijn en moeite aan te pas komen om in het zonet geschetste beeld van populisme de stijl van de PVV te herkennen. Het zal dan ook misschien enigszins als een verrassing aankomen, maar toch kan ook D66 in haar vroege (zestiger) jaren met gemak een populistische partij genoemd worden. Het voldeed met haar eisen aangaande democratische vernieuwing aan onze twee criteria omtrent populisme, de tegenstelling tussen het volk en de corrupte elite, en de wens dat politiek een uitdrukking moet zijn van wat het volk verlangt.

Immers: 1) Het moest volgens Hans van Mierlo maar eens afgelopen zijn met de particratische elite – het partijenstelsel, als de 19e-eeuwse uitvinding die zij is, vertegenwoordigde immers nog steeds verzuilde scheidslijnen die in de zestiger jaren reeds achterhaald waren; 2) de volkswil moest nu eens écht goed tot uiting komen, dit door middel van democratische vernieuwingen zoals het gekozen staatshoofd en burgemeester, herinvoering van het districtenstelsel en directe afschaffing van de monarchie.

Korte conclusie: de charismatische spreekstijl van de jonge Hans van Mierlo doet nu misschien niet meteen denken aan de botte toon die Wilders soms aanslaat, toch is het inhoudelijke verhaal dat hieraan kleefde minstens zo populistisch te noemen.

D66 staat nu weliswaar hoog in de peilingen, maar zal bij het huidige gebrek aan enige programmatische smoel nooit hoger dan een zetel of vijftien kunnen scoren. Bij de burgerlijke elite mag haar weloverwogen sociaal-liberale boodschap dan aanslaan, de ‘gewone man’ heeft vooralsnog weinig op met de ondoordringbare zweem van elitairisme die al jaren om D66 heen hangt.

Nou, vooruit: weliswaar wist Van Mierlo het D66-geluid tot grote hoogten te stuwen door in 1994 maar liefst 24 (!) zetels te behalen. Dit gebeurde echter binnen de context van een meezittend neo-liberale tijdgeest en door het charismatische leiderschap van Van Mierlo, dat wellicht binnen D66-gelederen nooit meer overtroffen zal worden (en zéker niet door Alexander Pechtold).

Een terugkeer naar het populisme (lees: roep tot meer democratie) zou in het huidige tijdbestel misschien wel dé oplossing kunnen zijn voor een inhoudelijk zwalkend D66. Men begint zo langzamerhand gefrustreerd te raken over de gebrekkige werking van onze democratie: een groeiend vertrouwen in de populisten van SP en PVV bewijst dit. De burger raakt steeds meer teleurgesteld in de hedendaagse politiek, net zoals de visionair Van Mierlo dat ooit was.

Door opnieuw in te zetten op democratische vernieuwing zal D66 weer gaan zitten waar het hoort; bovendien zit daar ruimte voor verder electoraal gewin. In een tijdperk waar de burger nog nooit zo ver afstond van de politiek, is een terugkeer naar haar populistische roots dus zo’n slecht idee nog niet.