Al die dure grond, die ligt daar maar

De provincie Overijssel wil gemeenten helpen die met onverkoopbare grond zitten, maar de twijfel groeit of daarvoor een fonds moet worden opgericht. Volgens de regels (het Besluit Begroting en Verantwoording) lijkt het niet eens te kúnnen.

„Het is een worsteling”, erkent gedeputeerde Bert Boerman. Gisteren riep hij experts en Statenleden bij elkaar om er nog eens over te praten, hoewel er al een voorstel klaar ligt. Zijn conclusie: „Misschien kan het ook nog anders.”

Gedeputeerde Staten (GS) van Overijssel hebben gedaan wat Provinciale Staten hun per motie hadden opgedragen: een onderzoek naar de mogelijkheden van een grondfonds. „De provincie wil vitale, gezonde gemeenten”, zegt Boerman. „Het kan niet zo zijn dat locaties alleen maar in ontwikkeling blijven omdat ze anders moeten worden afgeboekt en gemeenten dat niet kunnen betalen.”

Het gaat om grond die vaak duur is aangekocht met de bedoeling er woningen te bouwen of bedrijfsterreinen aan te leggen. Door de crisis en demografische ontwikkelingen komt dat er niet van en wordt de grond minder waard.

Kritiek is er nu op de optie waarbij de provincie gemeenten te hulp schiet door de grond tegen boekwaarde van gemeenten over te nemen. Die gemeenten moeten dan het verschil met de werkelijke waarde, inclusief rente, over een periode van tien jaar in een provinciaal investeringsfonds storten. De grond wordt (weer) bestemd voor landbouw of natuur.

Dat is een beloning voor riskant gedrag, vinden critici. Een grondfonds oprichten is geen taak van de provincie, zeggen ze ook. Hoe denkt de provincie die versnipperd gelegen stukjes grond te beheren? Hoe verhoudt een fonds zich tot de toezichthoudende taak van de provincie op diezelfde gemeenten? „Er zitten veel haken en ogen aan; het is een enorm gedoe. Je tuigt iets op waar niemand blij mee is”, reageert Maarten Allers, hoogleraar economie van decentrale overheden aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Wieger Mulder, wethouder van de gemeente Hengelo en voorzitter van het financieel platform van Overijsselse gemeenten, verwacht dat vijf van de 25 Overijsselse gemeenten daadwerkelijk een beroep zullen doen op een grondfonds. „Het gebaar is te waarderen, maar het nut beperkt.”

Alleen gemeenten die in acute financiële problemen komen als ze alles afboeken wat ze zouden moeten afboeken, hebben er belang bij, is zijn inschatting. „Je bent de grond kwijt en na tien jaar heb je het hele bedrag met rente terugbetaald aan de provincie”, schetst Mulder. „Voor een heleboel gemeenten die niet zo klem zitten, is dat geen aantrekkelijke oplossing. De provincie wil er 130 miljoen euro voor uittrekken. Ik denk dat zoveel geld niet nodig is.”

Voor de Overijsselse fractie van D66 staat al vast dat ze tegen een grondfonds stemt. Fractievoorzitter Aart Karssen: „Gemeenten die hun zaken op orde hebben, kunnen er niet van profiteren. Daar schuilt iets van ongelijkheid in.”

Emeritus hoogleraar volkshuisvesting Hugo Priemus (Technische Universiteit Delft) noemt een grondfonds onnodig ingewikkeld. „Laat de gemeenten het eerst op eigen kracht oplossen.” Hij is enthousiaster over de mogelijkheid –ook voorgesteld door GS – dat de provincie afspraken maakt met gemeenten om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen.

Hoogleraar Allers vraagt zich af wat er voor gemeenten te winnen is met een grondfonds als de provincie zelf niet op de blaren wil zitten. „Wie neemt dan het verlies? De gemeenten? Waar doe je het dan voor? Als het op een andere manier kan, doe dat dan. Faciliteer gemeenten zodat ze onder licht toezicht tien jaar de tijd krijgen om hun financiën op orde te brengen. Dat is misschien nog niet eerder gedaan, maar als de provincie het goed aanpakt, is er speelruimte.”

Provinciale Staten beslissen op 19 februari.