Ze weet wel dat er meisjes in de kelder zitten

Coverfoto van De vrouw die de honden eten gaf

Het Vlaamse weekblad Humo plaatste een foto waarop Kristien Hemmerechts, compleet met blonde pruik en stoeipakje, zich had uitgedost als Michelle Martin, de ex-echtgenote van Marc Dutroux. Geinig idee. De foto is een zeldzaam banale illustratie van Hemmerechts’ nieuwe roman, waarin zij ‘in de huid kruipt’ van Martin.

Het tijdschrift en de schrijfster hebben hun in dit geval uitsluitend commerciële belang genadeloos laten prevaleren boven de wonden van Dutroux’ slachtoffers. Daar zouden ze zich voor moeten schamen.

Moet Kristien Hemmerechts zich ook schamen voor haar roman? Het luidruchtigste deel der Belgen lijkt te vinden van wel. De ene na de andere commentator kreeg een rode waas voor de ogen zodra Hemmerechts ter sprake kwam, waarbij de meesten met een zekere opluchting meldden dat zij de roman niet hadden gelezen – alsof dat een lijfstraf betrof – en dat ze niet voornemens waren het boek ook maar aan te raken. Het is immers eenvoudiger om een publiek persoon te beoordelen dan een roman.

De eis tot schaamte is niet alleen een fenomeen waar Hemmerechts nu mee wordt geconfronteerd, het is ook een van de belangrijkste thema’s van De vrouw die de honden eten gaf, zo blijkt al dadelijk uit het begin. ‘De meest gehate vrouw van België. Veel gehater dan die vrouw die haar vijf kinderen heeft vermoord.’

Meer gehaat dan kindermoordenaar

De vertelster, Odette, zit in de gevangenis – veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de misdaden van haar ex-echtgenoot M. Ze hoopt vrijgelaten te worden en wil dan het klooster in. Net als Michelle Martin, zoals ook de rest van Odettes verhaal overlapt met de levensfeiten van Martin.

De vraag of Hemmerechts de werkelijkheid recht doet is minder belangrijk dan de vraag of haar ‘Odette’ geloofwaardig is. Hemmerechts laat haar hoofdpersoon met horten en stoten over haar leven vertellen, met aandacht voor de risicofactoren uit haar jeugd (een jonggestorven vader, een onaangename moeder) om zo geloofwaardig te maken dat zij valt voor de wrede en dominante M. Tegelijkertijd beklaagt ze zich over de mate waarin zij gehaat wordt, waarbij ze gefascineerd is door Lhermitte, een vrouw die haar vijf kinderen met een vleesmes om het leven bracht, maar die minder publieke hoon oogstte.

‘Ik ben ook een slachtoffer’, zegt Odette en dat is inderdaad de kern van haar apologie. Odette was eenzaam en ongelukkig, M gaf haar het idee dat ze seksueel de moeite waard was (‘Ik heb je gered’) en sleepte haar mee in een machtsspel, waarin zijn combinatie van geweld en hitsigheid haar doodsbang maakte – en opwond. Dat laatste gevoel is nog steeds niet verdwenen, zelfs niet met de wetenschap van zijn misdaden: ‘Ik voelde mij zo trots. Ik zag het als een verbond, een heilig verbond tussen hem en mij, zelfs al wist ik dat ook andere vrouwen hem afzogen. En soms denk ik dat als ik opnieuw met hem midden in het bos in een camionette zou zitten en hij zijn broek open knoopte, ik opnieuw zijn penis in mijn mond zou nemen. En hij zou weten dat ik het zou doen.’

Het sterke van de roman is dat de apologie die de tekst in feite is, tegelijkertijd wel en niet overtuigt. Niet omdat je nergens het idee krijgt dat Odette onschuldig is: de punten waarop zij anders had kunnen en moeten handelen zijn legio. Aan de andere kant geloof je wel dat dit het verhaal is waarmee ze zich zou rechtvaardigen.

Heel duidelijk wordt dat in de episode waaraan het boek zijn titel ontleent. Op een gegeven moment zit M enkele maanden in de gevangenis, waarvoor precies is onduidelijk. Hij en Odette wonen apart, zij is net bevallen van hun derde kind – eindelijk een meisje. Tijdens zijn gevangenschap wordt er ingebroken en worden er computers gestolen. M besluit dat er waakhonden moeten komen. Odette moet voor hun voer zorgen.

Ook die kinderen moeten eten

Eerst vlucht ze in praktische bezwaren: ze zit ook nog met de kinderen, die honden gaan poepen, etcetera. Uiteindelijk stalt ze twee beesten in het huis, uit alle macht proberend niet te denken aan wat ze ook wel weet: dat er twee meisjes opgesloten zitten in de kelder. Ook die kinderen moeten eten hebben, zegt M. Hij geeft haar er een ‘fors bedrag’ voor.

De aanwezigheid van de hongerende meisjes kan ze niet meer ontkennen, maar toch daalt ze de trap niet af. Haar zoon vertelt ze dat het geld voor een televisie is. Waarmee ze zich voor zichzelf vrijpleit en je als lezer voelt hoe graag zij haar gezicht van de kelder wilde afwenden – zonder dat het iets afdoet aan de onvergeeflijkheid van haar keuzes.

Zo schiet Odette heen en weer tussen wat ze zou willen negeren en wat ze werkelijk niet kan ontkennen. Het boek staat vol zinnetjes als: ‘Het staat in de krant, dus het zal wel waar zijn.’ Daarin schuilt veel: aan de ene kant de frustratie van een vrouw die voelt dat ze nooit meer zal worden geloofd. Maar ook laat het zinnetje zien dat Odette nog steeds niet in staat is, of bereid is, de volle verantwoordelijkheid voor haar keuzes te nemen.

Intussen is haar angst wél authentiek. Haar angst voor M, haar angst voor wat de buitenwereld haar zal aandoen. En haar kinderen. ‘Oog om oog. Tand om tand. Kind om kind.’ Daar zit de interessantste laag van De vrouw die de honden eten gaf. Niet in het hoe en waarom van de misdaden – daarover kom je uiteindelijk weinig te weten – maar in de constante machtsstrijd in het leven van Odette. Eerst moest zij het afleggen tegen de overweldiging door M met zijn seksuele machtsvertoon, daarna tegen de toorn van de rest van de wereld, van ons, met ons morele machtsvertoon. Dat Hemmerechts die parallellen laat zien maakt De vrouw die de honden eten gaf tot een bijzonder knappe prestatie. Die moet een schrijver niet tekort doen met een banale verkleedpartij.