Sinds Tarzan verveelt Cheetah zich

See no Evil van Jos de Putter is een minimalistisch portret van drie apen in hun nadagen.

Het retrospectief over de Franse cultfilmer Jean-Pierre Melville in filmmuseum Eye is bijna afgelopen, maar de geest van zijn zwijgzame gangsters zweeft nog over het Rotterdams filmfestival. Van regisseur Eché Janga, die al opviel met zijn bekroonde eindexamenfilm Mo (2010), ging zaterdag de eerste speelfilm in première, Helium, met een hoofdrol voor Hans Dagelet als gangsterbaas Frans, die op een Waddeneiland moet onderduiken voor een Nigeriaanse bende die hem wil ombrengen. Eigenlijk is hij al dood, want hij waart door zijn eigen leven als een schim van de man die hij ooit was.

Aanleiding om veel voor zich uit te staren in lang aangehouden shots, die voortdurend zijn eenzaamheid benadrukken, helemaal naar het voorbeeld van de solitaire, zwijgende gangsters van Melville. Als stijlexercitie mag Helium er zeker zijn – het camerawerk van Janga’s voormalige studiegenoot Tibor Dingelstad is spectaculair, met messcherpe, sfeervolle nachtshots. Maar inhoudelijk heeft de arty gangsterfilm weinig om het lijf; een film die meer over film gaat dan over iets anders. Hoe minimaal de dialogen ook zijn, en hoe dreigend de blikken van de gangsters, helemaal overtuigend wil Helium maar niet worden.

Helium is onderdeel van een kleine golf van Nederlandse films, die dit weekend in première gingen op het Filmfestival Rotterdam, waarvan we hier enkele kunnen bespreken.

Documentairemaker Jos de Putter was een tijd uit beeld, omdat hij in beslag werd genomen door zijn televisiewerk. Hij keert nu terug met See no Evil: een minimalistisch portret van drie apen in hun nadagen, die ooit heel beroemd waren. Hij bezocht Cheetah, een van de apen die nog mee heeft gespeeld in de Tarzanfilms, en zich inmiddels als een ware Hollywoodveteraan bezighoudt met het maken van schilderijtjes die voor aardige prijzen als ‘ape-stract art’ op de markt komen. Verder ontmoette De Putter Kanzi, die dertig jaar onderwerp was van een experiment om een aap taal te leren, en Knuckles, die in slechte staat verkeert door alle medische experimenten die op hem zijn gedaan.

De half vermenselijkte apen geven de kijker een onbehaaglijk gevoel, want de dieren blijken zich onnoemelijk te vervelen in hun bestaan ergens tussen wildheid en domesticatie. De Putter laat de beelden voor zichzelf spreken, zonder commentaar of voice-over, in een film die boeit maar geen verrassende nieuwe inzichten oplevert over de relatie tussen mens en dier.

Niet alleen Eché Janga, maar ook een andere jonge filmmaker die debuteert in Rotterdam is nog druk bezig zich los te maken van zijn helden en voorbeelden. Afstuderend filmmaker Yassine el Idrissi filmt in The Iranian Film veelal zichzelf. Hij wil in Marokko een film maken in de geest van de Iraanse cinema, die hij zeer bewondert. Dat wil zeggen: met een simpel, symbolisch verhaal, met amateurs in de hoofdrollen, en in een stijl die zich ergens tussen documentaire en fictie beweegt.

Zo gaat hij aan de slag in Marokko, maar daarbij stuit hij op onnoemelijk veel bureaucratische tegenwerking en koudwatervrees bij Marokkanen, die nog altijd bang zijn de toorn van de staat over zich af te roepen. Haast ongemerkt ontstaat zo toch een beeld van Marokko, hoezeer de filmmaker het ook alleen maar over zichzelf lijkt te hebben. Het is een truc die maar één keer werkt, maar die wel werkt. The Iranian Film is een energieke, geestige film, van een filmmaker die zeker nog van zich zal laten horen.