Groningers: bij voorkeur geen fiebelekwinten

e afgelopen weken is er een cliché onderuit geschoffeld, namelijk dat van de stugge, onverstoorbare Groninger. Groningers die met eieren gooien, Groningers die moeten worden weggesleept door de ME: dit alles staat haaks op het beeld dat veel mensen van Groningers hebben.

Voor de goede orde: ik kan die emoties goed begrijpen. Als bestuurders te lang te slecht naar de bevolking luisteren, dan slaat de vlam in de pan. Dat is overal zo, dus ook in Groningen. Waarschijnlijk heeft de NAM alleen zo lang z’n gang kunnen gaan omdat Groningers niet van die barricadeklimmers zijn. Eén mini-aardbeving als gevolg van boringen in Wassenaar en de hele top van de NAM was per omgaande naar huis gestuurd.

Sinds wanneer vinden we stugge Groningers in onze literatuur? En heeft het Groningse dialect dit cliché versterkt?

Opmerkingen over de volksaard van Groningers vinden we vanaf het begin van de 19de eeuw. Maar ze worden zeker niet meteen weggezet als stug of nors. Integendeel, in een roman uit 1814 van Adriaan Loosjes lezen we bijvoorbeeld over „de vriendelijkheid en gulhartigheid van dien jongeling, welke een onvervalscht afbeeldsel van het algemeen Groninger volkskarakter was”. En Jacob van Lennep vond de rijke boeren in Groningen in 1823 „hoovaardig en trotsch”, maar de kooplieden juist „gedienstig en bescheiden, zuinig en naarstig”.

Het beeld van de stugge Groninger lijkt ergens in de tweede helft van de 19de eeuw tot bloei te zijn gekomen. De volkenkundige D.J. van der Ven weet dit in 1920 aan „jarenlange propaganda in krant en tijdschrift”, maar daar heb ik weinig sporen van kunnen vinden. Van der Ven zag een duidelijk verband tussen het beeld van de „stuggen, harkerigen, eigenwijzen Groninger, lomp en onbehouwen in zijn grove manieren” en het Groningse „zoo maar voor den mond ‘plat’ wegpraten”.

Volgens K. ter Laan, de grootste pleitbezorger ooit van de Groningse taal en cultuur, werd het beeld van de Groningse stugheid niet alleen opgeroepen „door de taal, die voor een Hollander wat hard en ruw klinkt”, maar bovenal door de hardnekkige Groningse zwijgzaamheid. „Menige Groninger”, schreef hij in 1938 in een boek getiteld De Nederlandsche volkskarakters, „uit zich nooit, ook en zelfs niet in zijn eigen gezin, tegen vrouw en kinderen. […] En er is liefde voor armen en ongelukkigen, bereidvaardigheid tot hulp en steun. Maar daarover praten? Nee. Net zo min als een boer er over praat, dat hij zijn vee goed behandelen moet. Dat spreekt vanzelf en hij doet het, maar daar is het dan ook goed mee. Geen fiebelekwinten, dat is geen uiterlijkheden, geen ‘kunsten’. Je hoeft niet te zeggen, dat je elkaar lief hebt in je huis; je hoeft zelfs geen zoen te geven; dat is goed en mooi, zo lang je nog op vrijersvoeten gaat, en voor kinderen, als ze nog klein zijn. Maar als ze naar school gaan, is dat toch ook uit, nee, geen fiebelekwinten, dat deugt nergens voor.”

Tot de vlam in de pan slaat, zoals nu. Dan deugen fiebelekwinten wel.