Genoom van een oerman met blauwe ogen

Blauwe ogen in een donker gelaat. Zo zagen Spaanse jagers-verzamelaars er in de prehistorie uit. En verassend genoeg waren ze nauwer verwant aan moderne Scandinaviërs dan aan Spanjaarden van nu. Dat blijkt allemaal uit het genoom van een prehistorische man dat gisteren online werd gepubliceerd in Nature.

In 2006 ontdekten archeologen twee skeletten in La Braña, een grot in Noord-Spanje. Het ging om twee mannen die ongeveer 7.000 jaar geleden hebben geleefd. De grot waarin ze lagen was koel – hun skeletten en DNA waren er goed bewaard gebleven. Een internationaal team van genetici heeft nu de complete DNA-volgorde van één van de mannen vastgesteld.

Omdat het genoom van hoge kwaliteit is, konden onderzoekers er biologische kenmerken van de man uit afleiden, zoals zijn oog- en huidskleur.

„Dit is een mooie studie”, reageert Mattias Jakobsson, „maar die blauwe ogen moet je met een korrel zout nemen.” Jakobsson is geneticus bij de Uppsala Universitet en was niet bij het onderzoek betrokken. „Volgens de berekeningen van de onderzoekers zelf is de kans dat deze mens lichte ogen had zestig tot tachtig procent. Daar mag je niet veel harde conclusies uit trekken, vind ik.”

De twee mannen uit La Braña behoren tot de laatste jagers-verzamelaars van het Iberisch schiereiland. Zo’n 7.500 jaar geleden trokken boeren met graan en peulvruchten via de Pyreneeën het gebied binnen. Die eerste boeren en laatste jagers moeten elkaar zijn tegengekomen en een tijdje naast elkaar hebben geleefd. Het genoom van de Spaanse jager biedt een unieke kans om te onderzoeken hoe het leven vóór de landbouw eruit zag.

De genetici ontdekten bijvoorbeeld dat de stokoude Spanjaard waarschijnlijk geen melkdrinker was. De meeste Europeanen kunnen melk verdragen omdat ze ook als volwassenen het enzym produceren dat melksuikers afbreekt (lactase). Maar bij de oerman ontbreekt de mutatie waardoor het enzym er na de babytijd ermee ophoudt.

Daarnaast bevatte het dieet van de Spaanse jager waarschijnlijk weinig zetmeel: hij had maar vijf kopieën van het gen dat codeert voor amylase, het speekselenzym dat zetmeel omzet in suikers. Moderne Europeanen hebben meer van deze amylasegenen, meestal acht of meer. Dat helpt hen om zetmeelrijke granen, wortels en knollen te verteren.

Mihai Netea, hoogleraar experimentele interne geneeskunde en internist bij het Radboud UMC in Nijmegen, heeft de imuungenen van de oerman bekeken. „Wij dachten altijd dat de introductie van landbouw ervoor zorgde dat de evolutie van ons immuunsysteem in een stroomversnelling raakte”, zegt hij aan de telefoon. „Mensen gingen dieren houden en dichter op elkaar wonen. Ze werden daardoor meer blootgesteld aan bacteriën en virussen.” Europeanen dragen veel unieke mutaties in genen die betrokken zijn bij het immuunsysteem, zoals de genen die coderen voor de herkenningsreceptoren van witte bloedcellen.

Maar Netea en zijn collega’s laten nu zien dat zestig procent van die typische Europese mutaties al in het genoom van de oer-Spanjaard aanwezig waren. De landbouwhypothese moet dus worden bijgesteld.

Netea vermoedt nu dat de mutaties in het afweersysteem zich konden verspreiden omdat in Europa andere ziekten heersen. Hij denkt hardop: „De voornaamste ziekmaker in Afrika is malaria. Sommige aanpassingen aan malaria kunnen nadelig zijn voor andere infecties.” Eenmaal bevrijd van de malariaparasiet, zou de weerstand van de eerste Europeanen vrij zijn geweest om zich te richten op andere micro-organismen.

De genetici hebben ook de afkomst van de prehistorische jager onderzocht. Van alle moderne Europeanen, leek zijn DNA nog het meest op dat van Finnen en Britten. Maar de man was het meest verwant aan oude jagers-verzamelaars uit Scandinavië. Misschien komen alle Europese jagersvolken uit dezelfde oeroude genenpoel, opperen de onderzoekers.

Hun idee wordt ondersteund door aanwijzingen dat Spaanse jagers hun cultuur deelden met tijdperkgenoten verderop. Bij een van de Spaanse skeletten lag bijvoorbeeld een stuk stof waarop hoektanden van edelherten (Cervus elaphus) waren geborduurd. Zulke borduursels zijn ook bekend van andere vindplaatsen uit Midden- en Noord-Europa.

Werden de Europese jagers-verzamelaars uiteindelijk allemaal verdrongen door oprukkende boeren? Volgens Jakobsson ligt het niet zo zwart-wit. „Moderne Zuid-Europeanen lijken inderdaad vooral van boeren af te stammen, maar hoe verder je naar het noorden gaat, hoe meer genvarianten je vindt die typisch zijn voor jagers-verzamelaars”, zegt Jakobsson. Volgens hem leefden boeren- en jagersvolken lang naast elkaar in het noorden, en hebben ze zich uiteindelijk vermengd.