Een uit de hand gelopen dagboek

Hoe krabbel je op als je alles verliest?

Op 24 juli 2008, tijdens de zomervakantie in Italië, beklom Ada de Jong met haar gezin de Mont Dolent. Een bijna vierduizend meter hoge piek, op de grens met Zwitserland en Frankrijk. Dat deden ze al jaren. Eerst twee weken voorbereiden, dan de laatste dag naar de top. Een paar honderd meter onder de punt blijft Ada achter, ze is te moe en te traag. Met haar erbij zullen ze hun doel nooit halen. Anderhalf uur later ziet ze haar gezin weer – haar twee dochters, zoon en man Piet – op zo’n tweehonderd meter boven haar. Ze zwaaien met hun ijsbijlen. „Je hebt iets geweldigs gemist.” Dan struikelt er een. Ze trekken elkaar mee. Alle vier verdwijnen ze de diepte in.

Op dat moment, zegt De Jong, houdt ook haar leven op. Eerst is er blinde paniek. Dan een vreemde rust. Ze eist dat ze de geborgen lichamen van haar gezin mag zien. Ze moet er doorheen, naar het dieptepunt van haar verdriet.

In het ziekenhuis moet De Jong eindeloos veel papierwerk invullen. „Ik was om drie uur die ochtend opgestaan. Ik had een berg beklommen. Ik was mijn gezin kwijt. Waarom vraagt niemand of je eerst even wil douchen?” Thuisgekomen wordt ze overvallen door aandacht: fotografen in de tuin. Journalisten op de drempel. Zelfs een vrouw die ’s ochtends vroeg haar achtertuin binnensluipt en aan de picknicktafel gedichten schrijft. Voor haar.

Die „bizarre toestand” moest op papier, zegt De Jong, nu ruim vijf jaar later in haar werkkamer in Almere. „Hulpverleners steken er hopelijk iets van op. Dat ze slachtoffers bijvoorbeeld eerst een kop thee of die warme douche kunnen aanbieden.” In maart verscheen De berg van de ziel (oplage: 10.000) – een boek geschreven door haarzelf en Christa Anbeek.

Over ieder onheil een boek

Een ongeluk. Een ontvoering. Zelfmoord. Over ieder onheil is wel een boek geschreven. Hetzelfde geldt voor ziektes. Geen aandoening of je kunt ervoor in de boekhandel terecht. Een greep uit het aanbod van de afgelopen paar maanden: Een wolk in mijn been gaat over kanker.

Mijn longen zijn van Denise over taaislijmziekte.

De jongen die van appels hield: anorexia.

De binnenkant van verdriet: hartfalen.

Toen ik je zag: depressie en zelfmoord.

Hemelvaart: dodelijk ongeluk.

Steeds zijn het ‘waargebeurde’ verhalen. Boeken van mensen die zelf ziek werden, of het van heel dichtbij meemaakten. Mensen die een dierbare verloren. Of zelf ontvoerd werden. Bij literair agentschap Sebes & Van Gelderen – waar schrijvers hun manuscripten voorleggen – hebben ze er zelfs een apart label voor: ‘Misery’. Paul Sebes: „Honderden van van dat soort voorstellen komen er jaarlijks binnen.” Hoe dat kan? Sebes: „We kijken ook graag naar waargebeurde verhalen en reality op tv. Misschien is het gruwelen om andermans ellende, om dan blij te zijn dat je het zelf niet hebt?”

Meestal zijn het voorstellen van mensen die niet eerder een boek schreven, zegt Sebes. En hij ziet bovendien trends: Asperger, autisme, depressie – de „onbetrouwbare hersenen” zijn nu populair, zegt hij.

Maar wie zijn toch die auteurs? En wááróm schrijven ze die boeken?

Van dagboek naar hulpboek

Ada de Jong begon niet meteen na het ongeluk met schrijven. Zij begon te lezen. Stapels boeken. „Mijn leven was in een klap onbegrijpelijk geworden.” Op de rouwkaart kwam ook haar eigen naam: „Ik ben op die berg ook doodgegaan.” Het enige dat houvast bood, was tekst. Ze sprokkelde woorden en zinnen bij elkaar. Een passage bijvoorbeeld van een moeder die uitlegt dat sinds de dood van haar zoon het alledaagse niet meer bestaat. „Op zo’n moment begreep ik even wat ik voelde. Zij gaf er woorden aan. Dat geeft rust.”

Niet lang daarna ontmoette ze Christa Anbeek, co-auteur van het boek. „Ik zocht een lotgenoot, zij wilde samen een boek maken over rouw en verlies.” Lang twijfelde De Jong of ze haar naam op de kaft zou zetten. Maar wat begon als therapeutisch schrijven – woorden vinden, voor zichzelf – werd een boek waar anderen misschien ook iets aan konden hebben. „Dingen waar ik houvast aan had, wilde ik wel delen met de wereld.” En, ook niet onbelangrijk: met haar naam op de kaft zouden ze véél meer mensen bereiken.

Zo begonnen ook de andere twee schrijfsters die voor dit artikel over hun boek wilden vertellen: als privéproject. Een uit de hand gelopen dagboek. Om de ellende van zich af te schrijven. In balans te komen. Tegen het zwarte gat.

Maar waarom dan die stap om je privéschrijfsels wereldkundig te maken?

Tania Bongers schreef De dag dat ik doodging (oplage: 10.000). Tijdens haar zwangerschap ontdekt ze dat ze baarmoederhalskanker heeft. De procedure die artsen in zo’n geval voorstellen: kind aborteren en de baarmoeder verwijderen. Maar Tania Bongers besluit dat ze éérst haar dochter op de wereld wil zetten en dan pas onder het mes. Ze ondergaat een vrij onbekende behandeling – namelijk chemotherapie tijdens de zwangerschap. De aanpak slaagt, en dat is de belangrijkste reden voor een boek. „Ik stuitte per toeval op die behandeling, terwijl die van belang is voor andere vrouwen. Mijn ultieme hoop is dat ik zo misschien een ander kind kan redden.”

Alle drie de schrijfsters geloven dat zij anderen met hun boek kunnen helpen. „Zingeving”, noemen ze dat. „Zodat het niet helemaal voor niets is geweest.” Ze geven informatie over het ziekbed of het rouwproces, willen de lezer leren dat je zelf een afspraak bij een dokter kunt maken – en zelf kunt beslissen of je met een behandeling instemt of niet.

En heel soms – zoals bij Nicky Westerhof – biedt een boek dan ook de kans om dingen recht te zetten – om terug te slaan. Westerhof schreef Dansen op een zijden draad (oplage: 8.000), over haar besluit haar borsten preventief te verwijderen. Ze is erfelijk belast met het gen BRCA1, dat verhoogde kans op borstkanker en eierstokkanker geeft. Haar oma en moeder overleden aan de ziekte. Omdat Westerhof nog jong is als ze haar besluit tot amputatie voorlegt, reageren veel artsen laconiek: waarom nu al opereren? Met groeiende woede voert ze strijd om serieus te worden genomen. Die passages in het boek vond ze dan ook „heerlijk” om te schrijven. „Je komt echt niet voor je lol bij zo’n arts. Neem iemand serieus! Ik stond bij veel gesprekken al meteen met tien-nul achter.” En als ze tijdens een tv-uitzending over embryoselectie hard wordt aangepakt door Andries Knevel pakt ze hem in het boek terug: „Andries, als jouw ouders toevallig die avond toch geen zin hadden gehad, dan was jij er ook niet geweest.”

Het verhaal ‘levend’ houden

Goed, anderen helpen is dus een drijfveer, maar hebben ze er zelf ook wat aan?

Natuurlijk: er wordt geld verdiend. Zeker de boeken van bekende Nederlanders verkopen in dit genre opvallend goed: van Toen ik je zag van Isa Hoes (over haar man Antonie Kamerling die in 2010 zelfmoord pleegde) werden alleen al in de eerste twee maanden ruim 100.000 exemplaren verkocht. En soms worden auteurs zelf (een beetje) bekend: van Meisje met negen pruiken van Sophie van der Stap kwam afgelopen najaar de film uit. Ook geven schrijvers lezingen, zijn er signeersessies en interviews.

Maar belangrijker dan verkoopcijfers is het volgens Bongers, De Jong en Westerhof om het verhaal „levend” te houden.

Tania Bongers bijvoorbeeld, kon tijdens haar ziekte moeilijk over haar ellende praten. Maar nu, ruim twee jaar later, heeft ze die behoefte juist meer dan ooit. Het boek, de interviews: allemaal nogal therapeutisch, zegt ze. „Op het moment dat het speelt wil iedereen je helpen, praten, dan is iedereen heel lief voor je. Maar ben je twee jaar verder, dan vragen ze er nauwelijks nog naar.”

Ada de Jong, die haar gezin verloor, ondervond dat probleem al direct na de gebeurtenissen: ze was „een wandelend ongeluk” zegt ze, mensen vermeden haar en het onderwerp. „Het boek heeft de deur opengezet. Pas daarna durfden veel mensen naar me toe te komen en erover te praten.”

Ook opvallend: bijna alle auteurs zijn vrouw. Westerhof denkt dat dat komt doordat vrouwen wellicht opener zijn. Sinds haar boek is ze werkzaam als coördinator in een inloophuis voor mensen met kanker. „80 procent van onze bezoekers is vrouw. Zij hebben meer behoefte om te delen wat hun overkomen is dan mannen.”

Nog een overeenkomst: de schrijfsters komen uit de boeken naar voren als sterke vrouwen. Ze hangen niet misselijk van de chemo’s boven de wc, nee, ze gaan de strijd aan met dokters en weinig begripvolle vrienden. Westerhof en Bongers wilden beiden een sterk en positief verhaal vertellen. Bongers: „Ik wil mensen laten weten: deze behandeling kan een uitkomst zijn.”

Die vrolijke toon botst overigens weleens met de wensen van de uitgever. Bongers die in haar eerste versie „eindeloos veel” schreef over de modereisjes die ze voor haar werk maakte – „Ik wilde laten zien dat ik ook een leven vóór mijn ziekte had” – kreeg te horen dat ze flink moest schrappen. „De uitgever zei: mensen lezen je boek om die ziekte. Niet voor die gezelligheid.”

Bovendien zit er een soort trots in de auteurs, dat ze er nog zijn, dat ze het doorstaan hebben. Ook dat is een reden om hun ervaringen in een boek te delen. Nicky Westerhof was trots zegt ze – dat ze heeft doorgezet. Dat ze tegen de adviezen in, al op jonge leeftijd haar borsten liet verwijderen. Dat mocht best op papier. Ada de Jong geeft toe dat het wel stoer voelde om haar naam aan een boek te verbinden. „Ik wilde laten zien dat ik nog steeds iets te bieden heb. Mensen hebben wat aan dat boek.”