Zorgen in het Versailles van het zakenleven

Het volk mort, maar waar is de cake? Meer dan 2.700 zakenmensen, politici en een handvol academici verzamelden zich de afgelopen dagen in het Versailles van het internationale zakenleven: het World Economic Forum in het Zwitserse Davos.

Veel te bespreken was er: van zorgen over de economische stabiliteit van China tot de tegenvallende resultaten van de overige BRICS-landen. Maar de olifant in de kamer was de toename van het verschil tussen arm en rijk.

Daar was vooraf al op getamboereerd: door Paus Franciscus in een oproep aan Davos. Door Christine Lagarde van het Internationaal Monetair Fonds die zei dat het bestrijden van ongelijkheid de grootste uitdaging was. Door ontwikkelingsorganisatie Oxfam, de ontwikkelingsorganisatie, die er op wees dat de 85 rijkste mensen ter wereld een even groot vermogen hebben als de gehele onderste helft van de wereldbevolking: 3,5 miljard mensen.

Een peiling van het World Economic Forum onder 700 deelnemers wees de groeiende inkomensverschillen tussen rijk en arm aan als het belangrijkste onderwerp. Dat is opmerkelijk. Want onder de deelnemers bevonden in Davos zich volgens een telling van het persbureau Bloomberg tachtig miljardairs. Maar heeft de ‘Davos-man’ – slechts 15 procent van de deelnemers was vrouw – dan zelf niet de oplossing van het probleem in handen?

Het zijn investeringen die zorgen voor nieuwe werkgelegenheid die mensen uit de armoede haalt. Maar juist deze week meldden twee grote kredietbeoordelaars dat de grote ondernemingen waarvan de toplieden zich in Davos hebben verzameld op een ongekende berg cash zitten.

Kredietbeoordelaar Moody’s stelde dat Amerikaanse bedrijven op een stapel kasgeld zitten van 1.500 miljard dollar. De zes grote techbedrijven, Google, Microsoft, Cisco, Oracle, Qualcomm en Apple, zijn alleen al goed voor een kwart daarvan, met Apple als kaskampioen: 150 miljard dollar. Het probleem speelt wereldwijd: accountant Deloitte schat dat bedrijven wereldwijd op een geldberg zitten van 2.800 miljard dollar. Een andere schatting, in een besloten zitting, kwam zelfs op 5.000 miljard.

En zo volgde, door de gangen van Versailles, een zoektocht naar het antwoord op de vraag of het één wellicht met het ander te maken heeft.

Traumatisch gedrag

Wat is er aan de hand? Diverse toplieden hier zeggen desgevraagd dat de onzekerheid over de economie grote bedrijven er van weerhoudt om hun opgeblazen kasreserves om te zetten in investeringen. Er is allereerst sprake van traumatisch gedrag, na de recessie van de laatste vijf jaar. Als de economie weer een duikvlucht neemt, is het beter om geld achter de hand te hebben om de klap op te vangen.

Maar minstens even groot is de onzekerheid waar de eigen markt, de eigen branche, naartoe gaat. De technologische ontwikkeling – van het internet-der-dingen tot de ‘deeleconomie’ à la Airbnb – gaat zo snel en onoverzichtelijk dat er sprake lijkt van verlamming of op zijn minst voorzichtigheid. Er valt veel meer te automatiseren en te robotiseren dan gedacht, en voor je het weet komt er een concurrent uit het niets die je uit de markt duwt.

En juist hier, bij deze techrevolutie, raakt het ene thema het andere. De reserves van het grote bedrijfsleven hebben indirect te maken met de groeiende inkomensongelijkheid. Sergej Brin, de baas van Google, zei hier gisteren wat velen al vermoedden: na de onderkant van de arbeidsmarkt, met zijn lopende bandmedewerkers en typistes, zijn ook de banen van de middenklasse niet veilig meer voor de software en de robot. Nu machines intelligenter worden kunnen ze straks taken aan waarvan we dachten dat ze veilig waren.

Dat wordt door velen bevestigd. De lonen van werknemers met middenklassebanen zullen, na de VS, nu ook in Europa achter blijven, zegt een van hen. Voor de banen die er wel zijn is een set van vaardigheden nodig die bedrijven te weinig bij hun rekruten tegenkomen. Deze ‘skills gap’ krijgt gezelschap van een ander gat. De jeugdwerkloosheid is overal zo hoog en zo langdurig dat een hele generatie twintigers buiten de boot dreigt te vallen.

Globalisering, luidt de huidige hypothese, leidt tot een toenemende gelijkheid tussen landen, maar ook een toenemende ongelijkheid binnen landen. En daarbij gaat het niet alleen om opkomende markten, waar de superrijken zich verwijderen van de rest, terwijl wordt gewacht op een opkomende middenklasse. Het gaat ook op in het Westen.

Radicalisering ter linker- en rechterzijde van het spectrum was tot nu toe het typische domein van de lager opgeleiden die zich uit de arbeidsmarkt gedrukt zagen. Maar wat er gebeurt er als dat fenomeen ook de middenklasse raakt, de klasse die van oudsher zorgt voor de maatschappelijke stabiliteit?

Niemand die het hier weet, maar voorvoeld wordt het wél. Werknemers en werklozen zijn kiezers. Onder de grote zorgen onder de topmannen zijn onberekenbaar overheidsbeleid, populisme en afnemende sociale cohesie. „Vergis je niet in de sfeer van nu”, zei een van hen gisteren. „Eén politiepistool dat per ongeluk afgaat tijdens een demonstratie in Madrid, en je hebt een opstand.”

De afgelopen vijf jaar van goedkoop-geldpolitiek hebben vrijwel alleen de rijken bevoordeeld, zei Martin Sorell, de baas van reclamegigant WPP, deze week. En er is een reëel gevaar dat ook de vruchten van het economisch herstel niet zullen worden gedeeld door de man in de straat wanneer de werkgelegenheid geen gelijke pas houdt.

‘Geef ze dan cake’

Afgelopen jaar is de totale factorproductiviteit – de productiviteit van zowel de factor arbeid als die van de factor kapitaal – voor het eerst in decennia wereldwijd gedaald. Dat bleek deze week uit een bericht van de Amerikaanse bedrijvendenktank Conference Board. Productiviteitsgroei is de sleutel tot welvaartsgroei. Juist in een conjuncturele opgang hoort zij te exploderen omdat de productie al stijgt voordat extra mensen worden aangenomen. Maar waarom staat zij nu dan stil?

Wellicht is dat een gemeenschappelijke deler voor de ongerustheid van grote bedrijven en burgers. Wat als de huidige techrevolutie helemaal niet gaat leiden tot een extra toename van de welvaart, maar slechts tot een chaotische, onoverzichtelijke herverdeling daarvan? Niet alleen van de leveranciers van arbeid (werknemers) naar die van kapitaal (entrepreneurs en investeerders). Maar ook van de grote bedrijven naar bliksemsnelle nieuwkomers? Of sterker nog: wat als de technologische revolutie helemaal geen revolutie is?

Vroeger waren het juist de grote vindingen die zorgden voor werkgelegenheid en welvaartsgroei die de sociale onrust bezwoeren. Er zijn economen, zoals de Amerikaanse hoogleraar Robert Gordon, die van mening zijn dat we alleen maar bezig zijn de laatste fundamentele vindingen van veertig jaar geleden toe te passen. Denk aan de stoommachine, elektriciteit, de verbrandingsmotor. Een nieuwe ‘golf’, waarbij gehoopt wordt op nano- en biotechnologie, is volgens hem te klein en te zwak.

En nu? De mannen in Versailles zijn de laatsten om medelijden mee te hebben, maar dat zij nerveus zijn is niet vrijblijvend. „Geef ze dan cake”, zou koningin Marie-Antoinette vlak voor de Franse revolutie hebben gezegd over het hongerige, morrende volk onder haar raam. Maar als de koek niet groeit maar even groot blijft, dan zal ze voortaan toch moeten leren delen.