Zes uur, de rekruten gaan patat eten

De garagedeur staat open. Timon (11) toont zijn wapencollectie. „Mossberg 500.” „RPG7.” „MP40.”

„Thompson.”

„M1 bazooka.”

De wapens, zelf gezaagd uit hout, zien er bijna echt uit. Vakwerk. Al is de bazooka, een pvc-buis met hout en tape, een beetje mislukt, vindt Timon. Eén handvat te veel. Hij richt het wapen naar de grond en haalt de trekker over.

„Hoho”, zegt Vince (13), net als Timon in camouflage. „Zo kan je in het echt nooit schieten hè. Dan verbrand je je heup.”

Timon gaat verder.

„Walter P22.”

„AK47.”

„M16A3.”

„Browning M1919.”

Ook de Browning, een luchtgekoeld machinegeweer, had beter gekund, zegt Timon. Het is zijn trots. Het onderstel is van de sterrenkijker, de trekker van een deurklink. Maar het geheel is groter dan de echte.

„Timon vindt zijn eigen creaties nooit goed”, zegt Vince, een goeie vriend. „Hij is helemaal fan van mijn wapens. Terwijl wat hij maakt, voor hem heel knap is.”

Op het oog is dit plantsoen in Hoek van Holland niets bijzonders. Wipkip, peuterglijbaan, grasveldje met lavendel. Maar sinds de nieuwe hobby van Timon, weten bewoners wel beter.

„Zullen we een potje spelen, Vince?”

„Welke actie? Sniper? Aanval? Verdediging? Missie?”

Timon legt de regels uit. Schieten is zonder kogels, je laat de ander weten of ’ie is geraakt. Niet zomaar opstaan als je bent geraakt. Wapen omhoog betekent stoppen.

Drie buurtjongens, rekruten, doen mee. Net als Lidianne (6), het zusje van Timon. Er wordt gepoot („Pis…pot...pis…pot”) en gekozen. Daarna kiest iedereen zijn wapen.

Veel ouders zien hun kind liever niet met speelgoedwapens rondlopen. Martine Delfos, biopsycholoog, ziet vooral moeders ermee worstelen. Al dat gestoei, die agressie. Maar cowboytje, indiaantje of oorlogje spelen gaat om leren overleven en dat is van evolutionair belang. „Hoe moet een man anders zijn vrouw later beschermen in een donker steegje?”

Vaders reageren anders. Die leren hun kind stoeien en vechten mee. Maar niet meteen, zegt Delfos. Eerst gaan ze kijken: kan hun kind het een beetje? Is het kwetsbaar, dan roepen ze ‘kom op!’ Overtreedt het de regels, dan roepen ze ‘ho!’ Want daar gaat oorlogje spelen ook over: regels leren, grenzen verkennen, zónder de ander te beschadigen. „In feite is oorlogje spelen buitengewoon pacifistisch.”

De eenheden verplaatsen zich naar het achterom, bij de schuurtjes. „Uitrukken!” Timon werpt een granaat. „Tsjik tsjik…boem. Tsjik tsjik…boem.” Om zijn schouder hangt een kogelband, 12,95 euro bij de feestwinkel. Vince sluit aan en herlaadt zijn geweer. Ze rukken op.

„Is het veilig?”

„Clear!”

„Kijk uit!”

Vince, verbeten gezicht, zet zwaar geschut in. „Boem boem boem boehoem!”

Een buurtjongen is gediskwalificeerd. Hij had ‘prrrrrrrrrrt’ geroepen, maar bij zijn wapen hoort ‘pang pang!’

Timon is altijd meer een knutselaar dan een tekenaar geweest, zegt vader Peter Persoon thuis in de woonkamer. Lego, toen alles met plakbandjes en nu hout. Zijn onderwerpskeuze verschoof in gelijke tred van brandweer, politie naar leger. Het hout werd van betere kwaliteit, de hoekjes ronder, potloodlijntjes verdwenen. „En voor je het weet”, zegt hij met een mok koffie in de stoel, „loopt je kind met een AK47 rond”.

Peter en Petra Persoon zijn zorgzame ouders die het beste willen voor hun drie kinderen. Dus toen Timon een jaar geleden enthousiast raakte van oorlogje spelen, aangestoken door zijn vriend Vince, stonden ze achter de hobby van hun zoon. Peter, nog in dienst geweest, ging samen met Timon hout bewerken in de garage. Plaatjes van wapens op internet werkten ze uit op ware grootte. Timon leerde rekenen met schaalmodellen en omgaan met de decoupeerzaag.

Zes uur. De drie rekruten uit de buurt gaan zo patat eten bij oma, maar wie gaat vragen of het al op tafel staat?

„Ren jij even naar oma”, gebiedt de een de ander.

De ander weigert. „Ik ben hoger in rang dan jij.”

Timon grijpt in. „Ja, dat is waar.”

Hiërarchie hoort bij oorlogje spelen. Speelt Vince mee, dan is hij korporaal en Timon sergeant. Vince vindt het prima om Timon aan te sturen, al is hij meer van de uitvoering en Timon van de tactics. Vince wil later ook echt het leger in. Speelt Vince niet mee, zoals morgen, dan deelt Timon de bevelen uit. Trots: „Morgen heb ik een leger van tien man”.

Timon is hoogbegaafd. Dat ontdekten zijn ouders toen hij twee jaar oud was. Bij de ingang van een bungalowpark hoorde Timon het huisnummer en liep recht op het juiste huisje af. Op zijn vierde droeg hij op de achterbank teksten op vrachtwagens voor.

Doe maar rustig aan, dachten zijn ouders nog. Maar ze konden het niet negeren. Timon toonde gedrag dat bij hoogbegaafden vaker voorkomt. Frustratie, woede als iets niet ging zoals hij wilde. Buiten legertje spelen, bleek een uitlaadklep. Sindsdien, zegt Peter, is het thuis minder oorlog.

Moeder Petra was aanvankelijk sceptischer dan Peter over de hobby van Timon. Is het wel gepast, je kind in legertenue door de buurt? Denk aan de beelden van Syrië op tv. Denk aan de ouderen in het seniorencomplex die de oorlog hebben meegemaakt. Maar tot dusver heeft niemand geklaagd.

Bovendien wil ze het fantasiespel van haar zoon niet remmen. Het gaat de laatste tijd juist zo goed met Timon. En oorlogje is voor hem een handvat om samenspel te stimuleren, zegt Petra. „Dat is bij hoogbegaafden niet altijd goed ontwikkeld.”

Het wordt al donker. Timon pakt een nachtkijker uit de garage. Ditmaal is zijn voornemen om laag in het struikgewas te blijven, „dan kan mijn moeder me niet naar binnen roepen”.

Buurvrouw Kitty (55) spreekt Timon aan. „Waar ligt de grens? Het begon met pief paf poef, een houten pistooltje. Maar het gaat steeds verder. Er wordt hier gedrild voor de deur, geroepen. Elke dag hè. Kinderen moeten vijf rondjes om het gebouw lopen. Mijn moeder heeft in het verzet gezeten. Dat zijn hele vervelende herinneringen.”

„Dat snap ik”, zegt Timon, die zijn wapen heeft laten zakken. „Voor mij is dit gewoon buiten spelen.”

„Waarom doe je dat dan niet in het bos?”

„Zo ver mag ik niet.”

„Word dan weer kind, Timon. Ga knikkeren, voetballen.”

’s Avond laat. Timon ligt in bed. Moeder Petra is geschrokken. In tranen kwam Timon na het akkefietje met Kitty thuis. „Mam”, zei hij, „dit is mijn passie, hier ga ik helemaal voor. Straks mag het niet meer”.

„Dat snijdt door mijn ziel”, zegt Petra.

„Vroeger speelden we allemaal militairtje, maar dat zie je haast niet meer”, zegt de vader van Vince. „Kinderen zitten nu allemaal achter de computer. Dat prikkelt hun fantasie niet. Daarom zijn die houten geweren ook zo leuk.”

„Ik kan er zo van genieten om ze te zien spelen”, zegt de moeder van Vince.

„Je kunt het wel verbieden, maar oorlogje zit er bij ieder jochie in”, zegt de vader. „Speelgoedwinkels liggen vol met klappertjespistolen. En als volwassene ga je paintballen, dat is net zoiets.”

De volgende ochtend rijdt het hele gezin met een auto vol wapens naar de duinen. Daar, bij de bunkers, kan de strijd vervolgen. En direct klinkt weer het vertrouwde geluid. „Pababam! Watch out!” Lidianne blijft rustig. Ze bakt balletjes zand, voor haar broer. „Timon, handgranaatjes!”