Verslag

vanaf het front

Timon post met zijn Browning M1919 voor de kerk. Rechts: neergeschoten naast het ‘hondenpoepveldje’.

De garagedeur staat open. Timon (11) toont zijn wapencollectie. „Mossberg 500.” „RPG7.” „MP40.”

„Thompson.”

„M1 bazooka.”

De wapens, zelf gezaagd uit hout, zien er bijna echt uit. Vakwerk. Al is de bazooka, een pvc-buis met hout en tape, een beetje mislukt, vindt Timon. Eén handvat te veel. Hij richt het wapen naar de grond en haalt de trekker over.

„Hoho”, zegt Vince (13), net als Timon volledig in camouflage. „Zo kan je in het echt nooit schieten hè. Dan verbrand je je heup.”

Timon gaat verder.

„Walter P22.”

„AK47.”

„M16A3.”

„Browning M1919.”

Ook de Browning, een luchtgekoeld machinegeweer op driepoot, had beter gekund, zegt Timon. Het is zijn trots. Het onderstel is van de sterrenkijker, de trekker van een deurklink. Maar het geheel is groter dan de echte.

„Timon vindt zijn eigen creaties nooit goed”, zegt Vince, een goeie vriend. „Hij is helemaal fan van mijn wapens. Terwijl wat hij maakt, voor hem heel knap is.”

Wapen omhoog betekent stoppen

Op het oog is het plantsoen op de kruising van de Roggeveenstraat met de Mahustraat, Hoek van Holland, niets bijzonders. Wipkip, peuterglijbaan, grasveldje met lavendel. Ouderen van het aangrenzend seniorencomplex schuifelen langs, er zijn eengezinswoningen, een kerk doet dienst als kinderopvang met ballenbak. Maar sinds de nieuwe hobby van Timon, weten bewoners wel beter.

„Zullen we een potje spelen, Vince?”

„Welke actie? Sniper? Aanval? Verdediging? Missie?”

Timon legt de regels uit. Schieten is zonder kogels, je laat de ander weten of ’ie is geraakt. Niet zomaar opstaan als je bent geraakt. Niet zomaar wapens uit de garage pakken. Wapen omhoog betekent stoppen.

Drie buurtjongens, rekruten, doen mee. Net als Lidianne (6), het zusje van Timon. Er wordt gepoot („Pis…pot...pis…pot”) en gekozen. Daarna mag iedereen een wapen uitzoeken.

„Wij zijn Nederland.”

„Weet je wat jullie zijn? Terroristen!”

„Sovjets!”

„Rusland tegen Nederland.”

„Greenpeace-activisten!”

„Team Kneus telt!”

De groep stuift uit elkaar en is verdwenen.

Leren overleven is belangrijk

Veel ouders zien hun kind liever niet met speelgoedwapens rondlopen. Martine Delfos, biopsycholoog, ziet vooral moeders ermee worstelen. Al dat gestoei, die agressie. Maar cowboytje, indiaantje of oorlogje gaat om leren overleven en dat is van evolutionair belang. „De vrouw wil dat de man haar beschermt in donkere steegjes. Maar wanneer moet hij dat dan leren?”

„Boem! Headshot! Lidianne! Dood!”

Vince, met een M16A3 vanachter een auto.

„Je mag weer opstaan als je tot 45 telt.”

„Kan ik niet!”, zegt Lidianne.

Vanuit de lavendel klinkt nu ook geratel.

„Pam pam!”

„Tatatatatatata!”

Vaders reageren anders. Die leren hun kind stoeien en vechten mee. Maar niet meteen, zegt Martine Delfos. Eerst gaan ze kijken: kan hun kind het een beetje? Is het kwetsbaar, dan roepen ze ‘kom op!’ Overtreedt het de regels, dan roepen ze ‘ho!’ Want daar gaat oorlogje spelen ook over: compromissen sluiten, leren samenleven in een groep.

De eenheden verplaatsen naar de achterom, bij de schuurtjes. „Uitrukken!” Timon werpt een granaat. „Tsjik tsjik…boem. Tsjik tsjik…boem.” Om zijn schouder hangt een kogelband, 12,95 euro bij de feestwinkel in Wateringen. Vince sluit aan en herlaadt zijn geweer. Ze rukken op.

„Is het veilig?”

Clear!

„Kijk uit!”

Vince, verbeten gezicht, zet zwaar geschut in. „Boem boem boem boem boehoem!”

Een buurtjongen is gediskwalificeerd. Hij had ‘Prrrrrrrrrrt’ geroepen, maar bij zijn wapen hoort ‘Pang pang!’

Timon is altijd meer een knutselaar dan een tekenaar geweest, zegt vader Peter Persoon thuis in de woonkamer. Lego, toen alles met plakbandjes en nu hout. Zijn onderwerpkeuze verschoof in gelijke tred van brandweer en politie naar leger. Het hout werd van betere kwaliteit, de hoekjes ronder, potloodlijntjes verdwenen. „En voor je het weet”, zegt hij met een mok koffie in de stoel, „loopt je kind met een AK47 rond”. >>

>> Peter en Petra Persoon zijn zorgzame ouders die het beste willen voor hun drie kinderen. Dus toen Timon een jaar geleden enthousiast raakte van oorlogje spelen, aangestoken door zijn vriend Vince, stonden ze achter de hobby van hun zoon. Peter, nog in dienst geweest, ging samen met Timon hout bewerken in de garage. Plaatjes van wapens op internet werkten ze uit op ware grootte. Timon leerde rekenen met schaalmodellen en omgaan met de decoupeerzaag.

Zes uur. De drie rekruten uit de buurt gaan zo patat eten bij oma, maar wie gaat vragen of het al op tafel staat?

„Ren jij even naar oma”, gebiedt de een de ander.

De ander weigert. „Ik ben hoger in rang dan jij.”

Timon grijpt in. „Ja, dat is waar.”

Hiërarchie hoort bij oorlogje spelen. Speelt Vince mee, dan is hij korporaal en Timon sergeant. Vince vindt het prima om Timon aan te sturen, al is hij meer van de uitvoering en Timon van de tactics. Vince wil later ook echt het leger in. Speelt Vince niet mee, zoals morgen, dan deelt Timon de bevelen uit. Trots: „Morgen heb ik een leger van tien man.”

De intelligentie van een bevolking is opgebouwd volgens een normaalverdeling. Het gros zit rond het midden, richting de uitersten worden de aantallen kleiner. Wie twee standaarddeviaties afwijkt van het gemiddelde heet laag- of hoogbegaafd. Van de bevolking is dat 5 procent, 2,5 procent naar beneden, 2,5 procent naar boven.

Bij Timon ontdekten zijn ouders hoogbegaafdheid toen hij twee jaar oud was. Bij de ingang van een bungalowpark hoorde Timon het huisnummer en liep recht op het juiste huisje af. Op vierjarige leeftijd droeg hij op de achterbank teksten van voorbijgaande vrachtwagens voor.

Doe maar rustig aan, dachten zijn ouders nog. Maar ze konden het niet negeren. Timon vertoonde gedrag dat bij hoogbegaafden vaker voorkomt. Frustratie, woede als iets niet ging zoals hij wilde. „Je hebt bij hem altijd het gevoel dat je op eieren loopt”, zegt Peter. „Het is elke keer weer zoeken. Wat werkt wel, wat niet.” Buiten legertje spelen bleek een uitlaadklep. Sindsdien, zegt Peter, is het thuis minder oorlog.

Moeder Petra komt naar buiten en klapt twee keer boven haar hoofd. „Eten!”

Timon haalt buurman Douwe op uit het seniorencomplex en schuift hem in zijn rolstoel aan tafel. Uit de keuken verschijnt een grote pan bami. „Mijn vaders bami”, zegt Timon. „Dat is de lekkerste hè”.

„Ik had ook wel mee willen doen met oorlogje spelen”, zegt Douwe na het eten. „Maar ze hebben mijn been eraf geschoten.”

„Verwenbakkie?” vraagt Petra, die de melk vast opklopt.

Douwe glundert. „Nou…”

Moeder Petra was aanvankelijk sceptischer dan Peter over de hobby van Timon. Is het wel gepast, je kind in legertenue door de buurt? Denk aan de beelden van Syrië op tv. Denk aan de ouderen in het seniorencomplex die de oorlog hebben meegemaakt. De ouderen blijven weleens staren vanachter de ramen. Maar tot dusver heeft niemand geklaagd.

Bovendien wil ze het fantasiespel van haar zoon niet remmen. Het gaat de laatste tijd juist zo goed met Timon. En oorlogje is voor hem een handvat om samenspel te stimuleren, zegt Petra. „Dat is bij hoogbegaafden niet altijd goed ontwikkeld.”

Timon weet dat oorlog in de echte wereld alleen maar narigheid veroorzaakt, zegt Peter. „Kijk naar de Romeinen”, heeft hij zijn zoon gezegd, „de ridders”. Allemaal hebben ze geprobeerd Europa te veroveren, maar niemand is het gelukt. „Had Hitler maar beter opgelet bij geschiedenis, dan had hij van tevoren geweten dat oorlog alleen maar verliezers kent.”

Oorlogje spelen kan te ver gaan

Het wordt al donker. Timon pakt een nachtkijker uit de garage. Ditmaal is zijn voornemen om laag in het struikgewas te blijven, „dan kan mijn moeder me niet naar binnen roepen”.

De verslaggever en de fotograaf besluiten mee te doen. Timon is enthousiast. „Iemand een headlight?” Niet veel later sluipen we met z’n drieën als bewapende schimmen over het plantsoen.

Vrijwel direct staan we oog in oog met buurvrouw Kitty (55) van het seniorencomplex. Ze staat in haar voortuin. „Waar zijn jullie nou helemaal mee bezig? Beseffen jullie wel wat jullie doen? Kijk, ik weet waar jullie mee bezig zijn. Maar wat als Michael van nummer zeventien, met z’n snuifje en z’n pilletje, volwassen mannen met geweren uit de bosjes ziet komen? Die kan heel anders reageren.”

Kitty wendt zich nu tot Timon. „Waar ligt de grens? Het begon met pief paf poef, een houten pistooltje. Maar het gaat steeds verder. Er wordt hier gedrild voor de deur, geroepen. Elke dag hè. Kinderen moeten vijf rondjes om het gebouw lopen. Mijn moeder heeft in het verzet gezeten. Dat zijn hele vervelende herinneringen.”

„Dat snap ik”, zegt Timon, die zijn wapen heeft laten zakken. „Voor mij is dit gewoon buitenspelen.”

„Waarom doe je dat dan niet in het bos?”

„Zo ver mag ik niet.”

„Word dan weer kind, Timon. Ga knikkeren, voetballen.”

Meisjes spelen schooltje, jongens oorlogje. De essentie is dezelfde, zegt biopsycholoog Delfos: regels leren, gehoorzamen, grenzen verkennen. En als er iemand de grens over gaat, wordt het spel stilgelegd. >> >> „Het gaat om winnen zónder de ander te beschadigen. In feite is oorlogje spelen buitengewoon pacifistisch.”

Maar het kan te ver gaan, zegt biopsychologe Delfos. Dat is wanneer het verzandt in een game naspelen. ‘Ego-ontploffing’, noemt ze dat. Met als beste voorbeeld Anders Breivik. Die had, voordat hij op Utøya het bloedbad aanrichtte, een jaar vrijgenomen om 16 uur per dag World of Warcraft te spelen. Hij leefde in een game en was de held, onoverwinnelijk.

Waar bij buitenspelen het geven van een klap niet wordt geaccepteerd – de groep spreekt je erop aan – is die feedback in een game afwezig. Sterker, in oorlogsgames is iemand doden altijd goed. Je krijgt punten, credits. Veel wargames spelen is vooral schadelijk voor kinderen tussen de vijf en acht jaar oud, als ze de normen van de maatschappij leren. Die van een wargame kunnen scripts worden in hun hersenen.

Normaal laat een dader zich na zo’n bloedbad als op Utøya doodschieten, Breivik niet. Hij was de eerste, zegt Delfos, die de game- en de echte wereld zo letterlijk door elkaar haalde. „Hij zag zichzelf als een held, het middelpunt. Hij poseerde. Hij wilde een level verder.”

Bij de buren ligt het spel gevoelig

’s Avonds laat. Timon, geen frequente gamer, ligt in bed. Moeder Petra is over de vloer bij de ouders van Vince, een buurt verderop. Ze is geschrokken. In tranen kwam Timon na het akkefietje met Kitty thuis. „Mam”, zei hij, „dit is mijn passie, hier ga ik helemaal voor. Straks mag het niet meer.”

„Dat snijdt door mijn ziel”, zegt Petra.

„Vroeger speelden we allemaal op woensdagmiddag militairtje, maar dat zie je haast niet meer”, zegt de vader van Vince, een lachebek. Hij zit breeduit met een biertje op de bank. „Kinderen zitten nu allemaal achter de computer. Dat prikkelt hun fantasie niet. Daarom zijn die houten geweren ook zo leuk.”

„Ik kan er zo van genieten om ze te zien spelen”, zegt de moeder van Vince.

„Je kunt het wel verbieden, maar oorlogje zit er bij ieder jochie in”, zegt de vader. „Speelgoedwinkels liggen vol met klappertjespistolen. En als volwassene ga je paintballen, dat is net zoiets.”

Dat de hobby van Timon bij buren gevoelig kon liggen, had Petra wel verwacht. Maar waarom hoort ze er dan niemand over? Rekening houden met de buren wil ze graag, maar ze wil ook mee met de passie van haar kind. „En ik zie dat mijn kind dit echt nodig heeft om zichzelf overeind te houden. Uiteindelijk is dat als ouder toch je doel, een gelukkig kind op de wereld zetten.”

De volgende ochtend rijdt het hele gezin met een auto vol wapens naar de duinen. Daar, bij de bunkers, kan de strijd verder gaan. En direct klinkt weer het vertrouwde geluid. „Pababam! Watch out!” Lidianne blijft rustig. Ze bakt balletjes zand, voor haar broer. „Timon, handgranaatjes!” <<