Smarter dan je smartphone

Er gaat een pingel. De eerste van veertien pingels die in het volgende halfuur nog zullen volgen. Ik kijk mee op het scherm van de iPhone van mijn veertienjarige nichtje: een snapshot. Op de snapchat. Een hond die ondeugend over het randje van een bed heen kijkt. ‘Yo, mothafucka, whassup?’ heeft de snapchattende vriendin erbij gezet. We zitten in het café tegenover de ingang van mijn vroegere middelbare school. Terwijl achter ons twee kinderen een ‘latte macchiato’ bestellen, laat mijn nichtje me zien wat er leuk is aan een smartphone. Snapchat: voor grappige selfies (die zichzelf meteen weer oplossen). Instagram: voor mooie selfies en styletips van bekende bloggers. Twitter: om Miley Cyrus en vooral Justin Bieber te volgen. Whatsapp: om snel en gratis met vrienden te communiceren. Navigatiesysteem: om niet te verdwalen. 9292: voor het plannen van je reis. Buienradar: om te kijken of er regen aankomt. Tinder: om te daten, voor anderen, niet voor mijn nichtje, zij swipet alleen maar. En o ja, je favoriete muziek, die heb je altijd bij je.

Een smartphone bespaart tijd en ongemak en voorkomt verveling, dat is wat er leuk is aan een smartphone. Een nadeel? Nou ja, het is soms lastig om je huiswerk te maken. En ja, zucht, je hebt natuurlijk minder contact met de (zucht, rollende ogen) echte wereld.

Van ‘jomo’ heeft mijn nichtje nog nooit gehoord. Terwijl dit volgens The Huffington Post toch echt hét woord van 2014 is. ‘Jomo’ dat betekent: the Joy Of Missing Out: niet overal tegelijk zijn en daar vrede mee hebben. Als opvolger en tegenovergestelde van ‘fomo’: the Fear Of Missing Out: op een feestje zijn en op je smartphone checken welke andere feestjes je mist.

Antismartphone

Jomo dus. Ik zou er als smartphoneloos wezen een expert in moeten zijn, maar mijn leven bestaat niet alleen uit feestjes. Bovendien: ik ben niet antismartphone. Dat lijkt alleen zo doordat steeds meer mensen een smartphone hebben terwijl ik nog steeds met een oude Nokia rondloop.

Ik heb nooit een smartphone gehad en weet dus ook niet wat ik daardoor win of mis.

Ik vraag mijn nichtje of ze wel eens samen is, in het echt, met die mensen met wie ze via de snapshot communiceert. Ja, dat is ze, en ja, dan snapchatten ze nog steeds. Naar elkaar. Ze snapt dat dat raar klinkt, maar voor hen is het logisch. Soms zet ze het geluid uit, maar dat maakt de drang om te kijken welke nieuwe berichten er binnenkomen alleen maar groter, want nu hoort ze niet wat ze mist.

Kris de Leeuwe, van de Rotterdamse uitgaansgelegenheid BAR, noemt smartphones ‘verslavend’. BAR organiseerde onlangs een no-phubbingavond. Phubben dat is: je gezelschap snubben (negeren) door naar je telefoon te kijken in plaats van naar degene tegenover je. Bij inlevering van hun smartphone kregen bezoekers drie euro korting op het eten. De avond trok opvallend veel bezoekers, maar nog opvallender is dat er sinds die avond mensen naar BAR komen die hopen dat ze hun telefoon moeten inleveren en teleurgesteld zijn als dat niet hoeft. Zelf hun telefoon uitzetten kunnen de meeste mensen niet.

Een kennis heeft onlangs haar smartphone weggedaan: „Ik voelde me een slaaf van mijn telefoon”, zegt ze. Wat ze ervoor terugkreeg? „Ik kan weer ongestoord uit het raam van de trein turen.”

Verdwalen

Ik snap best wat er leuk is aan een smartphone. Juist daarom zal ik er, zolang het nog kan, niet eentje kopen. Uit zelfbescherming. Ook ik vind het makkelijker om mijn Facebook en mijn e-mail te checken dan om een boek te lezen. Nat worden in de regen vind ik niet fijn, ik hou er niet van om te verdwalen, en andere mensen in de ogen kijken vind ik eng. Maar ik weet wel wat ik er voor terugkrijg wanneer het af en toe, per ongeluk, gebeurt: de onvoorspelbaarheid van het leven. Soms zou ik van de daken willen schreeuwen hoe mooi dat is.

Maar misschien ben ik gewoon een oude zeur. „Wat zou je doen”, vraag ik mijn nichtje, „als er door een verschrikkelijke ramp nergens ter wereld meer smartphones zouden zijn?” Ze haalt haar schouders op: „Echt niet alleen maar wandelingen maken, hoor.” Waarschijnlijk zou ze dan in haar eentje op haar kamer zitten en make-uppen. „Nou”, zegt ze, „alsof dat dan zo nuttig is.”