Schuldgevoel en uitzichtloosheid

Laarzen en klompen staan te drogen op een Nederlands boerenerf, 1999. Foto Hollandse Hoogte

‘In onze verkeringstijd was Teun duidelijk en rechtlijnig. Hij was gedreven, precies, misschien wel een perfectionist.” Een jonge boer neemt het familiebedrijf op de grens van Zeeland en Noord-Brabant over. Met zijn vrouw Josien drijft hij de gemengde boerderij. Tot hij op zijn 36ste geen licht meer ziet.

„Het is gebeurd op een vrijdagmiddag in mei, hij moest spuiten. Teun lag op bed die dag. Er werd gevraagd of Teun ziek was. ‘Ja’, zei ik. Ik moest die middag met twee van de kinderen naar een verjaardag en naar de kapper. Toen ik wegging sloot ik de deur af, mijn andere dochter kon zodoende niet naar binnen als ze thuis zou komen. (…) Uit een soort voorzorg deed ik dat.”

Gelukkig maar dat ze die deur voor haar dochter afsloot, want Teun schoot zich die middag op bed met een jachtgeweer door zijn hoofd. Hij had al vijf jaar last van depressies. Van de huisarts had hij al antidepressiva gehad. Hij had een afspraak met de psychiater gekregen. Om zijn vrouw terwille te zijn.

Jaren alleen op de tractor was voor de uit een groot boerengezin afkomstige Teun niet goed. Hij wist al vroeg dat hij de boerderij wilde voortzetten maar hij kon niet tegen tegenslag en onzekerheid. Hij miste overzicht. Het harde werken, vaak zonder resultaat scheurde zijn ziel, hij kon niet meer genieten van de schoonheid van het land.

Stilzwijgen

Zijn weduwe vertelt het jaren later aan Lizzy van Leeuwen, schrijver van het vandaag verschenen boek De Hanenbalken. Zelfmoord op het platteland. Josien heeft altijd vrij open over hun lot verteld.

In de familie en onder de overige boeren in de omgeving was dat niet gebruikelijk. Van Leeuwen heeft met moeite andere nabestaanden bereid gevonden ook iets te zeggen over wat een vrijwel onbespreekbaar verschijnsel is op het Nederlandse platteland.

In De Hanenbalken doet Lizzy van Leeuwen verslag van haar zoektocht naar een taboe. ‘Agrosuïcide’ is in allerlei landen een erkend probleem, maar Nederland wil er niet over praten en zit niet te wachten op een cultureel antropoloog die erover wil schrijven. Een bestuurder van een grote landbouwbond zegt: „Wij lossen dit in eigen kring wel op. Uw onderzoek is niet welkom.”

Voor Van Leeuwen staat vast dat het verschijnsel ook hier bestaat en ernstig is. Verschillende boerenorganisaties, het ministerie dat tot voor kort zijn naam ontleende aan de landbouw noch de universiteit die er zich op heeft toegelegd tonen veel belangstelling voor het fenomeen of de onderzoeker die het wil onderzoeken.

Dat levert een soort strijd van David tegen Goliath op, een onderzoeksreis over het Nederlandse platteland en langs de agroburelen. Lizzy van Leeuwen verzamelt stug en met fantasie alle aanwijzingen die het aannemelijk maken dat boeren een grotere kans hebben de hand aan zichzelf te slaan dan andere burgers. Maar enigszins harde cijfers vindt zij niet.

Boerenidylle

Daarmee houdt dit boek iets verscheurds: het wil met enig journalistiek vuur een droevige werkelijkheid beschrijven, en erachter komen of er wat tegen wordt gedaan – antwoord: nee, want vrijwel niemand houdt zich ermee bezig. En tegelijkertijd blijft de schrijver op zoek naar aanwijzingen, liefst bewijs dat zij een misstand bij de kop heeft.

Van Leeuwen gaat op haar tocht uitvoerig terug in de tijd. In oude kranten en boeken, grote en kleine literatuur zijn sporen te vinden van hetzelfde probleem, meestal ook destijds als taboe beschreven. Al zoekende komt Van Leeuwen op diverse verklaringen voor die terughoudendheid. Culturele, psychologische en praktische.

In onze tijd ziet zij een samenleving die geen afstand wil doen van de boerenidylle. Wie aan het tv-programma ‘Boer zoekt Vrouw komt’, raakt aan ons ideaalbeeld van de natuur, waar alles bloeit en iedereen stoer en zuiver is.

In België ontbreekt die preutsheid en wordt de ‘agrosuïcide’ onbekommerd besproken – als het zo uitkomt met een snoeiharde boeren-hangen-ondersteboven-voor-zoekende-vrouw satire.

Terwijl het Nederlandse CBS geen gegevens verzamelt over het aandeel van boeren in de zelfmoordstatistieken, vist Van Leeuwen uit de literatuur allerlei aanwijzingen dat het verschijnsel in landen als Groot-Brittannië, Ierland, Japan, Frankrijk, Denemarken, India en diverse staten van de VS bekend en erkend is.

Aan de Wageningse universiteit werd de vakgroep sociale psychologie, die zich met agrosuïcide had kunnen bezighouden, in 1988 opgeheven. Nadat aan die universiteit in 2000 het Kenniscentrum voor de Groene Leefomgeving Alterra was opgericht kwam dat instituut in 2002 met een rapport dat ‘Veerkracht’ heette. De optimistische toonzetting kon, beschrijft Van Leeuwen, niet verhullen dat het moest vaststellen dat de recente uitbraak van mond- en klauwzeer veel angst, onzekerheid en neerslachtigheid onder boeren had veroorzaakt. Zo ging het ook na BSE, vogelpest en andere tot massale ruimingen leidende uitbraken.

Eigenlijk is dat ook de rode draad die door Van Leeuwens onderzoek loopt. Het Europese platteland is de laatste decennia steeds verder leeggelopen. Voor nieuwe generaties boeren, die voor de beslissing staan ‘doorgaan of niet doorgaan’, stapelen schuldgevoel jegens vorige generaties, eenzaamheid en uitzichtloosheid zich op. De sterkste, meest opgeruimde mannen en vrouwen zouden daar somber van kunnen worden.

Inderdaad, het gaat ook om vrouwen, al lijken het vaker mannen te zijn die zichzelf niet vergeven en de hanenbalken opzoeken. Met een stuk touw, want het pistool was, vroeger althans, voor herenboeren. Uitdrukkingen als ‘naar de schuur gaan’ symboliseren de stille keuze voor ‘zelfruiming’, zoals sommigen cynisch zeggen. Gebrek aan hoop is de factor die deze vroegtijdig beëindigde levens verbindt.

In het derde deel van het boek, waarin Van Leeuwen op het Amerikaanse platteland gaat zoeken naar wat men daar doet om boerenzelfmoord vóór te zijn, komt zij Mike Rosmann tegen, voorvechter van preventieve hulp. Hij beschrijft in ‘The Agrarian Imperative’ een bepaald persoonlijkheidstype dat boeren geschikt maakt voor hun vaak taaie, onzekere werk, maar bij te grote tegenslag en verlies aan uitzicht de kans op suïcide versterkt. Rosmann constateert in landbouwgebieden met veel Duitse en Nederlandse immigranten een ‘Teutoonse erfenis’. Die zou op het Nederlandse platteland ook van toepassing kunnen zijn.

Ontroerend

Lizzy van Leeuwen verdient een prijs voor haar bijna Teutoonse taaiheid om dit boek over een ontoeschietelijk onderwerp tot een goed eind te brengen. Maar het gaat misschien niet die succesboeken met geromantiseerde non-fictie achterna waarmee het verdwijnende Nederlandse landleven van weleer wordt beschreven.

De Hanenbalken is daarvoor een te hybride combinatie geworden van twee scripties en een journalistieke reportage. Eén scriptie graaft in de geschiedenis van de boerensuïcide. Heel veel werk dat geen spectaculaire vondsten oplevert.

De daarop volgende gesprekken met nabestaanden zijn essentieel en ontroerend. De tweede scriptie, die over mogelijke sociale en psychologische hulpverlening is opnieuw aan de lange kant. Een goede redacteur tevens scriptiebegeleider had van een meestal boeiend boek een monumentaal boek kunnen maken. Want dat zit er wel degelijk in.